Kabinetscrisis 1860: verwerping Spoorwegwet

Op 8 februari 1860 verwierp de Eerste Kamer na een debat dat 4 dagen duurde met 20 tegen 17 stemmen een wetsvoorstel inzake de aanleg en exploitatie van de Noorder- en Zuiderspoorweg. Daardoor viel het kabinet-Rochussen.

Het kabinet stelde voor particuliere maatschappijen concessies te verlenen voor de aanleg van deze spoorlijnen, waarbij de staat subsidie zou verlenen voor de bruggen over de grote rivieren.

Profiel nieuwe Tweede Kamer 2003

Het 'gemiddelde' Tweede Kamerlid na de verkiezingen van 2003 is man, hoog opgeleid, tussen de 41 en 50 jaar en afkomstig uit de Randstad. Hij is eerder werkzaam geweest bij de overheid of een politiek-maatschappelijke organisatie en heeft relatief weinig 'Haagse' ervaring. Het aantal vrouwen ligt lager dan in de vorige periode. Er zijn 54 vrouwelijke Kamerleden. Het aantal nieuwkomers is met 58 hoog. Dertien leden keren terug in de Kamer (van wie enkelen overigens alleen als vervanger tijdelijk Tweede Kamerlid zijn geweest).

Geloofsbrieven

Geloofsbrieven zijn stukken waaruit moet blijken dat iemand voldoet aan de wettelijke eisen voor het lidmaatschap van een vertegenwoordigend lichaam (bijvoorbeeld de Tweede Kamer of de gemeenteraad). Met het onderzoek van deze stukken wordt een speciale commissie uit het betreffende lichaam belast. In de Tweede Kamer is dat de commissie voor de geloofsbrieven.

Stukken die een gekozene moet overleggen om aan te tonen dat hij of zij lid mag worden, zijn

'Schaduwkabinetten' als mislukte opmaat naar een Progressieve Volkspartij

Kort voor de Tweede Kamerverkiezingen van 28 april 1971 presenteerden PvdA, D'66 en PPR een gezamenlijk, alternatief kabinet. In het najaar van 1972 vormden de drie partijen voor de vervroegde verkiezingen een zogenaamd deelkabinet, een lijst van mogelijke kandidaten voor een kabinetspost. Hiermee wilden de drie progressieve partijen aangeven dat zij in staat waren om na de verkiezingen direct een kabinet te vormen.

Staatkundige vernieuwing in de jaren zestig

In het midden van de jaren '60 van de twintigste eeuw kwam er van enkele kanten roep om staatkundige vernieuwing. Er was onvrede over het nogal gesloten politieke systeem, waarin een bestuurselite de dienst uitmaakte. Verder leidde de gewoonte om via overleg politieke tegenstellingen zo veel mogelijk glad te strijken, tot onduidelijkheid bij de kiezers. Nieuwe spelregels moesten de invloed van de kiezer vergroten.

Abonneer op