Zomernieuws in het verleden: 1968 staatsman Oud overleden; 1923: Colijn minister van Financiën

In de zomermaanden is het ook in de politiek vaak komkommertijd. Er waren in juli en augustus in het verleden echter ook enkele belangrijke politieke gebeurtenissen. Wat gebeurde er in de tweede week van augustus?

1968: Staatsman Oud overleden

Op 12 augustus 1968 overleed in Rotterdam op 81-leeftijd de liberale minister van Staat Pieter Oud. Vrijwel zijn gehele werkzame leven was hij actief geweest in politiek-bestuurlijke functies. Al in 1917, op 30-jarige leeftijd (toen de minimumleeftijd), kwam hij in de Tweede Kamer voor de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB). Hij versloeg in het kiesdistrict Den Helder de christen-democraat A.P. Staalman .

In de Kamer behoorde hij spoedig tot de meest vooraanstaande leden, die op tal van terreinen (onderwijs, marine, financiën) het woord voerde. Zijn prestige was zo groot, dat Colijn hem in 1933 vroeg minister van Financiën te worden in zijn crisiskabinet. Oud zou in die functie een stringent bezuinigingsbeleid voeren.

Na de verkiezingen van 1937 vormden de confessionele partijen een kabinet zonder vrijzinnig-democraten en liberalen. Oud keerde toen terug in de Kamer. In 1938 werd hij echter benoemd tot burgemeester van Rotterdam. Hij was dat ook tijdens het bombardement in de meidagen van 1940. Enige tijd later werd hij door de bezetters afgezet.

Tijdens de oorlogsjaren schreef hij een omvangrijk werk over de parlementaire geschiedenis tussen 1918 en 1940 ('Het Jongste Verleden'). Later zou hij ook andere werken publiceren, onder meer over het staatsrecht.

In 1946 ging de VDB op in de PvdA en trad ook Oud tot die partij toe. Al spoedig bleek hij zich echter niet thuis te voelen bij de overwegend sociaal-democratische partij en in 1947 verliet hij de PvdA.

Met Stikker , voorman van de liberale Partij van de Vrijheid , richtte hij in januari 1948 de VVD op. In 1948 keerde hij als politiek leider van de partij terug in de Tweede Kamer. Tot juni 1963 zou hij een gezagvol Tweede Kamerlid zijn, dat met name als autoriteit op staatsrechtelijk gebied gold.

Na zijn vertrek uit de Kamer werd hij in november 1963 tot minister van Staat benoemd.

1956: Moeizame kabinetsformatie

De kabinetsformatie van 1956 verliep uiterst moeizaam. Bij de verkiezingen was de PvdA, dankzij de populariteit van Drees , als grootste uit de bus gekomen. Drees werd direct ook tot formateur benoemd, maar moest na 38 dagen zijn opdracht teruggeven.

Daarna trachtte KVP-leider Romme een kabinet te vormen. Met name zaken als de bezitsvorming en de grondpolitiek waren onoverkomelijke problemen om een kabinet te vormen waaraan KVP en PvdA zouden deelnemen.

Op 7 augustus werd oud-minister Lieftinck (PvdA), die in 1952 de politiek had verlaten, gevraagd als informateur te onderzoeken of er een kabinet gevormd kon worden. Na een week kreeg hij een tweede, iets ruimere opdracht. Ook zijn pogingen zouden geen succes hebben.

Nadat ook de antirevolutionaire hoogleraar De Gaay Fortman tevergeefs had getracht een kabinet te vormen, waarvan de Gouverneur van Suriname Van Tilburg (PvdA) premier had moeten worden, lukte het uiteindelijk PvdA-voorman Burger om de crisis op te lossen. Pas op 11 oktober voltooide Drees de formatie en vormde hij zijn vierde kabinet.

1923: Colijn minister van Financiën

Op 18 juli 1923 trad geheel onverwacht minister De Geer van Financiën af. Hij kon zich niet verenigen met het kabinetsbesluit om een wetsvoorstel over uitbreiding van de marinevloot voor Nederlands-Indië door te zetten.

Dat voorstel was door het eerste kabinet-Ruijs de Beerenbrouck ingediend en omvatte de bouw in zes jaren van onder meer twee kruisers, twaalf torpedobootjagers en 26 onderzeeboten. Door het plan in een wet vast te leggen, moest de uitvoering ervan verzekerd zijn.

Het kabinet-Ruijs I was niet meer aan afhandeling van het voorstel gekomen, omdat de Tweede Kamer in april 1922 een motie-Oud had aangenomen waarin om uitstel van het debat werd gevraagd totdat de minister van Buitenlandse Zaken terug zou zijn van een grote internationale conferentie. Het uitstel leidde ertoe dat het voorstel niet meer voor de verkiezingen werd afgehandeld.

Tijdens de formatie in 1922 werd niet besloten het wetsvoorstel in te trekken, maar werd wel besloten een commissie in te stellen die moest kijken naar de financiering van het plan. Veel leverde het werk van die commissie niet op, maar één van de leden, de topambtenaar van Financiën Trip, uitte wel ernstige bezwaren.

Onverwacht bleek dat minister De Geer die bezwaren deelde. Zonder zijn geestverwante CHU-fractie te hebben geïnformeerd (hij had alleen fractievoorzitter Schokking op de hoogte gesteld) en zonder verder overleg, nam hij ontslag. Hij lichtte zijn ontslag een dag later toe in het (liberale) Algemeen Handelsblad.

Als opvolger werd al snel aan Hendrik Colijn gedacht. Deze oud-minister van Oorlog en voorman van de ARP had enige tijd deel uitgemaakt van de top van de Bataafsche Petroleum Maatschappij, een onderdeel van Shell. Na zijn terugkeer uit Londen was hij in 1922 fractievoorzitter geworden. Hij achtte het nu het moment om weer een ministerspost te gaan bekleden. Wel stelde hij allerlei eisen, bijvoorbeeld over de omvang van de bezuinigingen.

Toen daarmee was ingestemd, werd hij op 11 augustus 1923 minister van Financiën.

En verder...


<- vorige week volgende week ->