Een generatiedingetje

‘De leiding is nu aan een nieuwe generatie’, zei Frans Timmermans op verkiezingsavond 2025 bij zijn afscheid. Wanneer prominente politici het toneel verlaten, spreken we graag van een generatiewisseling. Politici zelf doen daar gretig aan mee, al was het maar om het eigen vertrek te verzachten en de komst van opvolgers te legitimeren.

Maar wat is een generatie eigenlijk, in een politieke context? In algemene zin gaat het om tijdgenoten die in dezelfde periode politiek actief zijn. Vooral echter duiden we er politici mee aan die in hetzelfde tijdsgewricht een gedeelde overtuiging of stijl van politiek bedrijven ontwikkelen.

Hoe stabieler de politiek en hoe vanzelfsprekender de leiders, hoe sterker de neiging om in generaties te denken. Kort na de Tweede Wereldoorlog trad een groep voormannen aan die ruim vijftien jaar het gezicht bepaalden van de wederopbouwpolitiek: Drees, Romme, Tilanus, Schouten en Oud. Klinkende namen die later door politicologen Van den Berg en Molleman werden aangeduid als de generatie van ‘Herstellers’.1) Zij vertrokken in korte tijd na elkaar, Tilanus in 1963 als laatste. Min of meer gelijktijdig afscheid nemen blijkt een probaat middel om als generatie te worden herinnerd.

De politiek leiders die hen begin jaren zestig opvolgden – Schmelzer, Vondeling, Toxopeus en Biesheuvel – verwierven nooit die status. Zij waren gevormd binnen de pacificatiedemocratie van hun voorgangers en hadden nog weinig visie op de veranderende tijd. In de terminologie van Van den Berg en Molleman ging het om ‘Regelaars’: politici die vooral zaken voor elkaar wilden krijgen.

Van een duidelijke generatiewisseling was pas sprake toen begin jaren zeventig de ‘Veranderaars’ de macht overnamen. Mannen als Den Uyl en Van Thijn, Van Mierlo en Terlouw, Wiegel en Andriessen zetten een toon van vernieuwing en democratisering en braken bewust met harmoniegericht regentengedrag. In de jaren tachtig en negentig domineerde vervolgens opnieuw een generatie regelaars: Lubbers, Kok, een oudere Van Mierlo en later ook Bolkestein.

Daarnaast manifesteerden zich aan het Binnenhof door de tijd heen diverse andere subgeneraties. Zo was er de generatie die Drees nog persoonlijk had gekend, de oud-NieuwLinksers en de generatie vrouwelijke politici die in de jaren tachtig geregeld gezamenlijk optrok. Denk binnen de PvdA aan Elske ter Veld, Jeltje van Nieuwenhoven en Eveline Herfkens, door Vrij Nederland speels ‘Jelskeline’ genoemd.

Een bijzondere subsoort vormden de Kamerleden die zich onderscheidden door hun parlementaire vakmanschap. Geen partijpolitieke boegbeelden, maar politici die hun gezag ontleenden aan jarenlange ervaring en een principiële verdediging van de positie van het parlement. Tot begin jaren tachtig vormden deze parlementariërs met hoofdletter P een herkenbare groep. Inmiddels zeggen namen als Theo Joekes of Maarten Schakel nog maar weinigen iets. Toen een groot deel van hen afzwaaide, werd dat betreurd als het verlies van een ‘laatste generatie’ zeer ervaren Kamerleden.

Dit (verdwenen) element van ervaring verklaart wellicht waarom we sinds de eeuwwisseling minder spreken over politieke generaties. Mark Rutte is zonder meer het gezicht van een tijdperk, maar van een generatie? Hij was eerder een intergenerationeel figuur die verschillende politieke lichtingen overleefde, zoals Den Uyl dat in zekere zin ook was. Politieke polarisatie en versplintering maken het ook lastiger om in generaties te denken. Wilders geldt als een belangrijke generatiegenoot van Rutte, maar om nu te zeggen dat zij een manier van denken en doen delen?

Dat generaties opstaan en plaatsmaken hoort bij de politiek, zoals bij het leven. Zorgelijk wordt het wanneer er geen generatie meer te onderscheiden valt: wanneer er zich geen herstellers, regelaars of veranderaars aandienen, wanneer de zittende politici zich begint te gedragen als een lost generation, wanhopig zoekend naar de zin en gedeelde waarde van het politieke bedrijf.

Op 10 januari 1946, precies tachtig jaar geleden, probeerde premier Schermerhorn ten overstaan van de Kamer een synthese te smeden tussen nieuwe politieke figuren en politici die na vijf bezettingsjaren waren teruggekeerd.2)  Hij wenste geen onderscheid te maken tussen jong en oud, noch tussen verschillende oorlogservaringen. Eerder zag hij een verschil in de wijze waarop beide groepen de ‘realiteit van het heden’ op zich lieten inwerken. Misschien verschilden ook de wegen waarlangs zij idealen trachtten te realiseren. 

In tijden die bijzondere eisen aan politiek stelden, draaide het volgens Schermerhorn uiteindelijk echter maar om één ding: de gezamenlijke wil tot een samenwerking te komen die idealisme versterkt en illusies voorkomt. Het valt te hopen dat er zich in deze tijd opnieuw een herkenbare generatie zal aftekenen, die zo de geschiedenis in wil.

Columns


1 J.Th.J. van den Berg en H.A.A. Molleman, Crisis in de Nederlandse politiek (2e druk; Alphen aan de Rijn 1975) 146-152.

2 Carla Hoetink m.m.v. Alexander van Kessel, 1945, Terugkeer naar het Binnenhof. De Tweede Kamer in ere hersteld (Amsterdam 2020) 43. Citaat Schermerhorn terug te lezen op Handelingen II, 1945-1946 (10 januari 1946) 210.