De procedure tot grondwetsherziening was tussen 1814 en 1848 anders dan tegenwoordig. In de periode 1814-1815 moesten na aanneming van een wet die verklaarde dat de Grondwet moest worden gewijzigd door de Provinciale Staten buitengewone leden worden gekozen. Het aantal leden van de Staten-Generaal verdubbelde daardoor.
Een wetsvoorstel tot herziening van de Grondwet moest in de Dubbele Staten-Generaal met ten minste twee derde van de aanwezige leden worden aangenomen en er moest daarbij een twee derde meerderheid zijn.