Vakbekwaamheid

21 september 2018, column Bert van den Braak

De affaires rond Stef Blok en diens voorganger Halbe Zijlstra, maar ook het ongelukkig verlopen ministerschap van Ard van der Steur, Uri Rosenthal en (in mindere mate) Ivo Opstelten riepen de vraag op of de selectie van ministers wel gelukkig is. Het verwijt klonk dat (met name) door de VVD, meer in het bijzonder door Mark Rutte, beloning van vertrouwelingen belangrijker werd gevonden dan (vak)bekwaamheid. De vraag kan dan zijn of bij de selectie van ministers sowieso niet meer naar 'vakkennis' moet worden gekeken dan naar politieke ervaring.

Nederlandse kabinetten zijn altijd een mix van ministers uit 'de politiek' (of breder de bestuurlijke-ambtelijke sector) en van relatieve buitenstaanders (bedrijfsleven, wetenschap). Sommigen buitenstaanders (Borst, Veerman, Cramer) waren echte 'vakministers', voor anderen (Dekker, Apotheker, Plasterk) gold dat in mindere mate. Er kan echter moeilijk worden volgehouden dat die buitenstaanders allemaal veel betere ministers waren dan (ras)politici. Jeroen Dijsselbloem was vertrouweling van Diederik Samsom en geen financieel expert, maar was bepaald een goede minister van Financiën.

Voor een goed en succesvol ministerschap zijn dossierkennis, politieke vaardigheden en persoonlijkheid voorwaarden, maar zelfs daarmee kom je er niet. Politieke rugdekking en omstandigheden, zoals de vraag of er op het terrein waarvoor je verantwoordelijk bent omstreden kwesties spelen, zijn minstens zo belangrijk. In de jaren zeventig en tachtig waren enkele VVD'ers (Ginjaar, Winsemius, Nijpels) tamelijk succesvolle en alom gewaardeerde milieuministers. Dat lag echter zeker niet uitsluitend aan hun vakkennis. Alleen van Ginjaar kon worden gezegd dat hij die in belangrijke mate had. Winsemius was organisatiedeskundige, Nijpels had als politicus op- en neergang meegemaakt. Milieu was echter een niet al te politiek-gevoelig onderwerp. Er moest veel wetgeving in gang worden gezet en over de noodzaak om vervuiling en hinder tegen te gaan, met het principe 'de vervuiler betaalt', was iedereen het wel eens. Er was dus al snel breder politiek draagvlak en waardering (ook bij de oppositie).

Kennis van het parlementaire bedrijf is zeker een pre, maar weer geen garantie voor een soepel verlopend ministerschap. In een wat verder verleden was gebrek aan dergelijke kennis daarentegen wel een handicap voor sommigen (Van Rooy, De Block, Stuijt). Er zijn voorbeelden van ministers die vakinhoudelijk sterk waren, maar die het in de politieke arena zwaar te verduren kregen. Extreem voorbeeld daarvan - onlangs werd daarop al gewezen 1) - was minister van Buitenlandse Zaken Chris van der Klaauw. Hij kwam uit de diplomatieke dienst, kende het departement en had politieke rugdekking, maar stond in de Tweede Kamer vaak te hakkelen. Overigens kun je zeggen dat hij desondanks lastige dossiers, zoals de kruisraketten, de olieboycot van Zuid-Afrika en de duikbootorder voor Taiwan toch zonder politieke kleerscheuren wist te verdedigen.

De positie in het kabinet is eveneens van belang voor een succesvol ministerschap. Loyaliteit staat daarbij voorop. Zeker als er harde afspraken zijn over bezuinigingen dan wordt loyale uitvoering gewaardeerd. Anderzijds verlangen belangengroepen, maar ook de 'eigen' ambtenaren dat de minister zich sterk maakt voor hun beleidsterrein. Een minister moet strijd durven te leveren in de ministerraad als er bijvoorbeeld roep is om extra bezuinigingen. Wie minister is in een periode dat dergelijke ingrepen niet nodig zijn, heeft geluk.

Politiek gevoel, intelligente en diplomatieke gaven zijn tamelijk relatieve begrippen, die geen garanties bieden. Dat zagen we recentelijk aan de ervaren politicus Blok, maar dat bleek eerder in 1971 bij Dries van Agt. Hij trad aan als vakminister en politieke buitenstaander en was bepaald intelligent. Kort na zijn aantreden als minister van Justitie liet hij zich niettemin ontvallen dat hij, anders dan zijn voorganger, een 'ariër' was. Hij gebruikte die Naziterm ook nog is de context van mogelijke gratiëring van Duitse oorlogsmisdadigers. Blunders laten zich moeilijk verklaren, maar maken iemand niet per definitie 'onbekwaam'. Het verhinderde Van Agt niet in het volgende kabinet vicepremier te worden en nog weer later politiek voorman en kabinetsleider.

Vele factoren bepalen of er gesproken kan worden van een 'goede' minister. Daarvoor is een reeks aan kwaliteiten vereist, waarbij de ene portefeuille meer vraagt dan de andere. Goed om kunnen gaan met media en publieke opinie, maar natuurlijk ook dossierkennis en het vermogen om snel tot de kern van problemen door te dringen, zijn, evenals politiek gevoel, vaardigheid in het parlementaire debat en uithoudings- en incasseringsvermogen belangrijke (en niet geringe) vereisten. Garanties zijn er bij de selectie niet. Intelligente buitenstaanders kunnen net zo goed slagen of mislukken als ervaren politieke rotten. Eerder behaalde 'resultaten' (positief of negatief) bieden geen garantie voor de toekomst.



Andere recente columns