Een aangrijpend uur - Soevereiniteitsoverdracht (1949)

De onderhandelingen op de Renville leidden al evenmin tot een definitieve regeling van de geschillen tussen Nederland en Indonesië. De verkiezingen van 1948 - nodig voor een grondwetsherziening, welke de overgang naar een nieuwe rechtsorde zou regelen - leverden een verlies op voor PvdA en een consolidatie voor de KVP.

Mede terwille van een tweederde meerderheid voor die grondwetsherziening drong de KVP op verbreding van de kabinetsbasis aan. De verzette zich aanvankelijk krachtig tegen een samenwerking met partijen die bij de verkiezingen nog hadden verlangd dat 'het roer om' zou gaan in Indonesië. Het feit dat het premierschap aan dr. Drees werd aangeboden, zal er wel toe hebben bijgedragen dat de over haar laatste aarzelingen jegens een bredebasis-kabinet, met de liberale mr. Stikker op Buitenlandse Zaken en de christelijk-historische mr. Schokking op Oorlog heen stapte.

In het kabinetsbeleid kwamen de verschillende uitgangspunten der partners meermalen in botsing. In de loop der jaren deden zich - zoals de Regering zei - verschillende 'deviaties' voor. Nadat een tweede politionele actie, welke zich tot Djokjakarta uitstrekte, door de Veiligheidsraad was gestuit, werd een vervroegde soevereiniteitsoverdracht nagestreefd.

Op een Ronde Tafelconferentie kwam de Nederlandse Regering met vertegenwoordigers van Republikeinen en federalisten tot overeenstemming. In een Unie, onder de kroon van koningin Juliana zouden Nederland en de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië blijven samenwerken. De Tweede Kamer schonk haar goedkeuring met 71-29 stemmen: de eerste keer dat àlle Kamerleden aan een stemming deelnamen sinds het ledental in 1887 op 100 was gesteld.

Katholieken, socialisten, liberalen stemden in hun geheel voor met bijna de helft van de CHU-fractie. In de Eerste Kamer werd de tweederde meerderheid (33 stemmen) maar net gehaald (34:15), omdat de CHU in haar geheel tegenstemde. Minister-President Drees stelde in een hem typerend afwegend slotwoord de negatieve en positieve consequenties tegenover elkaar.

1.

Eerste Kamer 20 december 1949

De heer Drees, Minister·President: Nu kom ik tot de beschouwingen over de consequenties van de te nemen beslissing. Eerst in het negatieve. Ik voel het als een beklemming, dat zo weinig aan alternatief is gesteld tegen over hetgeen de Regering voorstelt. Wat zullen de gevolgen zijn als de Staten-Generaal zich niet met dit voorstel verenigen met een voldoende meerderheid, thans in het bijzonder, als die meerderheid in deze Kamer niet wordt verkregen? Ik geloof, dat men het er over eens is, dat geen uitstel mogelijk is en dat nader overleg met verwerping gelijk zou staan. Er zijn dan, zie ik het wel, bij een eventuele verwerping drie mogelijkheden.

In de eerste plaats kan men Indonesië eenvoudig zonder enige overeenkomst abandonneren. Men weet, dat dit de gedachte was, die opgesloten lag in het plan van oud-Minister Sassen, die wilde, dat wij ons tot Amerika zouden wenden met het voorstel tot een gezamenlijke Oost-Aziatische politiek, waarbij hij te kennen wilde geven: indien gij dat afwijst, indien gij niet bereid zijt uw politiek tegenover Indonesië te wijzigen, zullen wij Indonesië eenvoudig moeten abandonneren.

De verwerping van dit plan heeft dit kabinet in de kringen van Rijkseenheid de naam van zwakkelingen bezorgd. Als wij het hadden opgevolgd, dan hadden wij al onze schepen moeten inzetten om alle Nederlandse ambtenaren en Nederlandse burgers in Indonesië zo snel mogelijk hierheen terug te voeren, terwijl het overigens geen enkel perspectief zou hebben geopend. Wat er van de minderheden alsdan zou zijn geworden, hoe het gestaan zou hebben met de bescherming, die wij zouden moeten verlenen of die internationaal volgens gesloten overeenkomsten zou moeten worden verleend, is mij niet duidelijk.

Dat is het ene alternatief. Het tweede alternatief is aangegeven door de heer Welter aan de overzijde van het Binnenhof. Hij gaf geen plan, maar hij zeide: waar het in het Oosten op aankomt, is macht, maar zelfs dat nog niet allereerst; vóór alles de wil tot de macht. Als er maar een kabinet optreedt, dat de wil tot de macht heeft, dan zult gij eens wat zien. Die wil tot de macht zou betekenen een poging tot herstel van het Nederlandse gezag over de 75 miljoen inwoners van Indonesië om daarna, als de orde is hersteld, in gezamenlijk overleg met de constructieve elementen over de vrijheid te gaan overleggen. Laat men de gevolgen daarvan eens overdenken.

Dit betekent, dat wij de troepen, die er reeds langer dan drie jaar zitten en aan welke beloofd is: gij zult in dit tempo worden gedemobiliseerd, moeten berichten: gij blijft daar. Wie zal zeggen voor hoe lang? Het betekent, dat de constructieve elementen, die tot dusver met Nederland hebben samengewerkt, beschaamd zullen staan in hun vertrouwen op Nederland en of volkomen overvleugeld zullen worden door de extremistische elementen of met die extremistische elementen fel tegen Nederland partij zullen kiezen, waardoor alles, wat in Indonesië aan Nederlandse arbeid wordt verricht, zou wegvallen.

Wanneer men onder die omstandigheden opnieuw het Nederlandse gezag in de gehele Archipel wil vestigen, dan zal men bovendien niet kunnen volstaan met af te zien van een verder gaande demobilisatie, maar men zal iedereen in Nederland, die voor militaire dienst in aanmerking kan komen onder de wapenen hebben te roepen en men zal alle militairen, die uit Indonesië zijn teruggekomen, opnieuw naar Indonesië moeten zenden, voor zover onze schepen daartoe de mogelijkheid zullen vinden.

Wij zullen met een volkomen chaotische toestand hebben te maken en strijd hebben te voeren in de gehele Archipel. Wij zullen die strijd hebben te voeren in een Oost-Azië, waar alle landen bezig zijn zelfstandig te worden of zelfstandig geworden zijn en tegen ons gekant zouden zijn. Wij zullen deze hebben te voeren tegenover een internationale wereld, die eveneens zich volledig tegen ons zou keren, met de zekerheid van afsnijding van het luchtverkeer en andere mogelijkheden, als b.v. wapenembargo.

Het is niet zo moeilijk om in enkele vergaderingen geestdrift te wekken met het ten tonele voeren van een paar vertegenwoordigers van een minderheid. Of het mogelijk zou zijn in Nederland de geestdrift te wekken en levend te houden, die nodig zou zijn om deze strijd te voeren en dan voor een volstrekt hopeloze zaak, met opoffering van onnoemelijk veel goed en bloed, waarbij bovendien elke mogelijkheid van eigen verdediging in het Westen moet worden prijsgegeven, want daarvoor zouden onze krachten niet toereikend zijn, of het mogelijk zou zijn daarvoor de geestdrift van het Nederlandse volk wakker te houden, moet ik nog zien.

Men zal in ieder geval niet van ons kunnen vergen, dat wij, die dit een gang naar de afgrond vinden, daarbij de leiding nemen. En als men dan bij een niet te verwachten resultaat - wie zal zeggen na hoeveel tijd en met hoeveel opofferingen aan bloed - zijn gezag hersteld zou hebben, wie zijn dan de constructieve elementen, die in 'vrijwillige' samenwerking tussen Nederland en een zelfstandig Indonesië zouden kunnen en willen regeren in Indonesië? Wat zou er in werkelijkheid worden van de nieuwe rechtsorde, die de Grondwet ons voorschrijft, tot stand te brengen in gemeen overleg? Wat zou er ook overblijven van de politieke verhoudingen in ons land. die, welke tegenstellingen er ook bestaan hebben, juist ten aanzien van het Indonesische vraagstuk, het toch mogelijk hebben gemaakt dit land in de laatste jaren weer op te bouwen in een betrekkelijk grote eendracht?

Nu is er een derde alternatief gegeven, nl. het idee van de geachte afgevaardigde de heer Pollema. die zegt: laten wij dit wetsontwerp verwerpen; indien de twee derden meerderheid in de Eerste Kamer niet wordt verkregen, welnu, wat let u? De bevoegdheid van de Kroon staat tenslotte nog boven de Grondwet; laat H.M. de Koningin, uiteraard onder de verantwoordelijkheid van de ministers, dan eenvoudig de soevereiniteit aan Indonesië overdragen; sluit dan daarna met het na die overdracht soeverein geworden Indonesië een tractaat en vraag daarop dan de goedkeuring van de Staten-Generaal. Een goedkeuring, die bij gewone meerderheid kan worden verleend. Dan - zo redeneert de heer Pollema – zijn de leden van de fracties van de KVP en de Partij van de Arbeid. die hiervoor toch de verantwoordelijkheid behoren te dragen, talrijk genoeg om een dergelijk voorstel te doen aanvaarden.

Dat is dus het andere alternatief, Mijnheer de Voorzitter, nl. dat de Regering, nadat de Staten-Generaal – i.c. de Eerste Kamer - het aan de orde zijnde wetsontwerp niet hebben aanvaard, toch rustig haar gang gaat. De geachte afgevaardigde de heer Pollema kan op die gedachte van die bijzondere bevoegdheid van de Kroon hier een subtiel betoog bouwen. Maar meent hij, zo wil ik hem vragen, dat dit betoog verstaan zal worden in de wereld, in Indonesië, in ons eigen land? Meent de geachte afgevaardigde werkelijk, dat, indien voor dit wetsontwerp door de eerste Kamer der Staten-Generaal niet de vereiste meerderheid kan worden opgebracht en de Regering dan toch maar doorgaat op de door de heer Pollema aangegeven wijze, dat de wereld dan zal verstaan, dat dit berust op een leer van wijlen De Savornin Lohman en dat dit dus eigenlijk niet een ongrondwettige daad is, maar berust op een buitengrondwettelijke bevoegdheid?

Ziet men dan niet, dat wij in de wereld alle vertrouwen en alle goodwill, die van aanvaarding van dit wetsontwerp zullen uitgaan, verspeeld zouden hebben? In de wereld, in Indonesië zou men zeggen: de Staten-Generaal in Nederland nemen het niet aan en in wanhoop doet de Regering iets anders buiten de Grondwet om. Maar wat zou de indruk in ons eigen land zijn, indien de Ministers H.M. de Koningin zouden adviseren om, ondanks de verwerping van dit wetsontwerp in de Eerste Kamer, toch de soevereiniteit straks op 21 December aan Indonesië over te dragen?

Ik geloof ook ten aanzien van ons eigen land weer niet, dat men die subtiele redenering van de heer Pollema zal kunnen volgen. Ik ben er zeker van, dat men dan van de daken af zal propageren en betogen, dat dit kabinet verantwoordelijk is voor een revolutionaire daad en dat het de Koningin heeft gebracht, zij het onder verantwoordelijkheid van de ministers, tot die daad.

Ik geloof dat wij in dat geval in plaats van tot een grotere eenheid te komen, die wij tenslotte weer zullen moeten verkrijgen, een grotere eenheid ook ten opzichte van Indonesië, in een toestand zouden komen, waarbij de vlammen er uit zouden slaan en er zou worden gezegd: wij zijn niet gebonden door een dergelijke ongrondwettige en revolutionaire daad, die ons gehele staatsrecht omwerpt. Ik geloof dus, dat wij hierdoor in Indonesië en in de wereld alle goodwill en vertrouwen zouden verspelen en dat in ons land de verwarring en strijd ten top zouden worden gevoerd. Zie hier, Mijnheer de Voorzitter, wat ik als het negatieve zie bij verwerping. Ik kan geen ander alternatief zien.

Maar nu het positieve, de andere zijde. Waarom achten wij de aanneming verantwoord? Wat bereiken wij? Wij hebben destijds gewild, sinds de besluiten daaromtrent zijn vastgelegd, een overeenkomst in zake een federatief Indonesië, een zelfstandig Indonesië, niet een overeenkomst enkel met de Republiek Indonesië, maar met de republiek en de federalisten. Die zijn thans tot overeenstemming gekomen en wij weten, dat de republiek, die nu eenmaal de meeste leiders van de nationale beweging in haar midden heeft, die over de wapenen beschikt en die in vele opzichten het overwicht heeft, desondanks toch inderdaad reëel met de federalisten samenwerkt.

Er is voorts overeenstemming over bereikt, dat de soevereiniteit wordt aanvaard uit handen van de Koningin in plaats van die eenvoudig zelf te decreteren. Aanvaard is een Unie, die men licht mag noemen, maar waarin stellig is vastgelegd een duurzame samenwerking tussen de beide volkeren. Er is altijd gesteld: Wij streven naar samenwerking met de constructieve elementen. Welnu, men zal moeten erkennen, als men mensen en verhoudingen kent, als men ziet, wie de kabinetsformateurs zijn geweest in Indonesië en wie in het kabinet zijn opgenomen, dat hier inderdaad gesproken kan worden van constructieve elementen.

De grootste bezwaren plegen te worden gemaakt tegen de president en de vicepresident van de Republiek op grond van de geschiedenis van de tijd der bezetting van Indonesië. Ik heb vroeger al eens gezegd: Nederland mene niet blijvend te kunnen beoordelen wie tot de leiding daar zullen worden geroepen. Duidelijk vindt men afgetekend, dat deze mannen het vertrouwen hebben van een zeer groot deel van de Indonesische bevolking, terwijl ook blijkt, dat zij tot constructieve samenwerking bereid zijn. Stellig zijn er belangrijke veranderingen ingetreden.

Ik wijs op de positie van de communisten, die thans tegenover de leiding der Republiek staan, op de groep van Tan Malakka, waarvan hetzelfde geldt, terwijl zij tevoren op de leiding van de republiek grote invloed had, al waren er weleens botsingen geweest. De handhaving van de orde is gekomen in heel andere handen dan waarvoor men vroeger weleens gevreesd heeft.

Uit de uitspraken van de president der Republiek blijkt met volkomen duidelijkheid, dat de Indonesische leden van het KNIL, de vroegere Koninklijke Nederlandsch-Indische Landmacht, die tegenover de republiek hebben gestaan, straks, georganiseerd in de onderdelen, waarvan zij thans deel uitmaken, zullen kunnen worden opgenomen in de federatieve strijdkrachten. Laat men even bedenken wat dat betekent. Men heeft van onze kant weleens gesteld, wat het voor het KNIL zou betekenen, te komen onder de leiding van hen, tegen wie zij vroeger gestreden hebben, maar laat men ook eens zien wat aan de andere kant voor de republiek betekent het aanvaarden van die samenwerking, die samenvoeging van die verschillende groepen, die voor en tegen de republiek gestreden hebben, die samenvoeging tot één geheel, dat de strijdmacht zal vormen van de Verenigde Staten van Indonesië.

Er is aan herinnerd, dat er zulk een goede invloed is uitgegaan van het samenkomen van de Indonesische gedelegeerden met de Nederlanders. Dat is niet eenvoudig geweest, Mijnheer de Voorzitter, omdat men zo plezierig met elkaar heeft omgegaan. Ik weet ook niet altijd, wanneer iemand mij glimlachend begroet, wat er achter die glimlach in de gedachten van die persoon precies leeft, maar dit is wel volkomen duidelijk geworden, dat gunstig heeft gewerkt, ook in verband met de mogelijkheid van constructieve samen, werking, de indruk, die men heeft gekregen van ons land en van ons volk, de indruk van wat er was gebeurd in de weinige jaren na een verwoestende oorlog.

De Indonesiërs, die hier nog nooit geweest waren, waaronder er overigens waren, die voortreffelijk Nederlands spraken, en anderen, die hier in 20 jaar niet waren geweest en die hier kwamen met de verwachting een verarmd, uitgeteerd, uitgeput volk in een verwoest land aan te treffen, hebben verbaasd gestaan over wat hier was gebeurd, over wat hier opgebouwd was en ook over de stabiliteit van de politieke en sociale verhoudingen. En zij hebben toch ook andere landen in Europa gezien!

De opeenvolgende kabinetten hier hebben vier jaar lang heel veel bezwaren en kritiek ontmoet. Wij hebben echter het voorrecht, dat buitenlanders, die zowel Nederland als andere landen bezoeken, zeggen; hoe is dat hier geleverd, hoe is dit herstel tot stand gekomen? De indruk, die de Indonesiërs hebben medegenomen van hetgeen er in Nederland is bereikt, heeft er toe bijgedragen, dat zij het besef hebben gekregen: hier leeft een ervaring, een organisatievermogen, een geest, die ook voor de opbouw van ons land van betekenis zijn.

Men aanvaardt het voortbestaan van de Nederlandse ondernemingen. De Kamer weet, dat de Nederlandse ondernemersorganisaties dringend vragen dit voorstel niet te verwerpen, maar deze mogelijkheid aan te grijpen. Wij staan ditmaal voor de situatie - ik heb zoveel meningsverschillen gezien binnen een kabinet, tussen kabinet en Batavia, tussen Batavia en onze vertegenwoordigers in het buitenland - , dat er een volkomen eenstemmig oordeel in het kabinet bestaat, maar ook bij onze adviseurs in Indonesië, of het civiel en zijn of militairen, en bij de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in Indonesië, om niet te spreken van allen, die internationaal contact hebben gehad.

Er is een eenstemmig oordeel, dat het de plicht van Nederland is om dat te aanvaarden. Wij hebben brieven gekregen, waarin men schreef: wij horen dat het nog niet zeker is, dat het zal worden aangenomen; dat is toch niet mogelijk, dat die catastrophe over ons gebracht wordt. De Unie mag licht zijn, zij verzekert geregelde samenkomsten van de ministers en geregelde samenkomsten van de vertegenwoordigers van de Parlementen en biedt daardoor waarborgen voor een persoonlijk levend contact, dat van zoveel meer waarde kan zijn dan papieren formuleringen.

Dit alles houdt beloften in, die teniet zouden gaan bij verwerping. De toestand in Zuid-Oost-Azië sluit uit, dat wij niet na korte tijd toch een soeverein Indonesië zouden zien verrijzen. Men zou het alleen zien verrijzen volkomen vijandig tegenover ons land. Is dat niet waardevol op zich zelf, dat het verkrijgen van de soevereiniteit zich zal voltrekken langs wettelijke weg en onmiddellijk zal worden gevolgd door de aanvaarding van H.M. de Koningin als Hoofd der Unie? Bindingen, formeel niet zo vast, kunnen reëel sterk zijn. Met zekerheid kan niemand in de toekomst zien, maar nu zeg ik juist namens het kabinet: laten wij niet op dit moment ons defaitistisch tonen.

De aanneming door deze Kamer zal de morele mogelijkheden versterken. Wij kunnen dan het werk opnieuw aanvatten met grotere eenheid dan in de afgelopen vier jaar door diepe verdeeldheid van meningen - aan beide zijden eerlijke meningen - mogelijk is geweest.

Mijnheer de Voorzitter! Er is gesproken van een noodlottig uur. Neen, Mijnheer de Voorzitter, niet een noodlottig uur, maar wel zoals een ander geacht lid van deze Kamer zeide, een aangrijpend uur, dat voor velen een uur van weemoed kan zijn als zij terugzien op wat door Nederland gewrocht is en door Nederland wordt prijsgegeven; een uur, zeker, van zorgen, een uur met gevaren, maar ook een uur met grote mogelijkheden.

Laten wij niet enkel denken aan het einde, laten wij denken aan het nieuwe begin. Laat men nog eens terugzien naar het verleden, waarvan H.M. Koningin Wilhelmina in 1948 zeide: Wij verloochenen het niet. Naast wat er verkeerd is geweest en wat men dadelijk of achteraf heeft bekritiseerd, is er ook veel groots tot stand gebracht, ook de eenheid van de Indonesische volkeren, welke thans deze mogelijkheid schept.

Laten wij nog een blik werpen op dat verleden, maar niet om daarop te blijven staren. Laten wij tenslotte ons gelaat wenden naar de toekomst, naar het samengaan in vrijheid, in de hoop en het vertrouwen, dat dat zal bijdragen ook tot het herstel voor geheel Indonesië van recht, vrijheid, orde en welvaart.

De Voorzitter: De beraadslaging wordt verdaagd.

De vergadering wordt te 9.55 uur namiddag gesloten.

Handelingen Eerste Kamer 1949/50, p. 98 e.v.


Meer over