Home > Regering > Kabinet > Wetenswaardigheden kabinetten > Bewindslieden in opspraak

Bewindslieden in opspraak

Integriteit van bestuurders is een terugkerend thema, maar over bewindslieden gaat het zelden. Het aantal affaires waarbij Nederlandse bewindslieden betrokken waren, is dan ook gering. Sinds 1848 kwam het slechts enkele keren voor dat een minister of staatssecretaris werd beschuldigd van het bevoordelen van relaties, belangenverstrengeling over omkoping.

In de meeste gevallen leidden de affaires niet tot het aftreden van bewindslieden. In slechts vier gevallen moesten bewindslieden wel vanwege een integriteitsaffaire het veld ruimen. Hieronder een chronologisch overzicht van de affaires rond bewindslieden na 1848.

Zijlstra (2018)

Op 13 februari 2018 legde minister Halbe Zijlstra (VVD) van Buitenlandse Zaken in de Tweede Kamer een verklaring af waarin hij meedeelde zijn ontslag bij de Koning aan te bieden. Zijlstra was in opspraak gekomen nadat hij had gelogen over een ontmoeting met de Russische president Poetin. Eerder erkende Zijlstra al dat hij niet zelf bij de bijeenkomst aanwezig was.

Verdaas en Weekers (2012 & 2014)

Tijdens het kabinet-Rutte II kwamen twee bewindslieden in opspraak. Staatssecretaris Co Verdaas moest al spoedig na zijn aantreden in 2012 aftreden vanwege een declaratie-affaire uit zijn tijd als gedeputeerde van Gelderland.

Staatssecretaris Frans Weekers kwam in 2014 in de problemen toen bekend werd dat een langs de snelweg geplaatst VVD-verkiezingsbillboard met zijn portret was geschonken door de Limburgse VVD-prominent Jos van Rey . Van Rey was toen al 'onderwerp' van onderzoeken naar belangenverstrengeling en corruptie in de Limburgse vastgoedsector. Daardoor leek ook Weekers zijdelings bij die affaire te worden betrokken. De Tweede Kamer nam uiteindelijk genoegen met zijn excuses.

Boerenbedrijf Veerman (2005)

Minister Veerman van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kwam in augustus 2005 in opspraak toen hij nog zakelijke belangen in zijn Franse boerenbedrijven leek te hebben. Zo had hij de jaarrekening over 2003 van SAS France Veerman ondertekend en stond hij in het Franse handels- en vennootschapsregister nog vermeld als directeur van vier werkmaatschappijen.

Veerman erkende in de Tweede Kamer dat hij formeel verantwoordelijk was voor deze fouten. Omdat hij echter kon aantonen dat hij geen rol had gespeeld bij het beheer van zijn landbouwbedrijven en dat de onterechte inschrijving te wijten was aan nalatigheid van zijn Franse notaris, verbond de Kamer daaraan geen consequenties.

Philomena Bijlhout (2002)

In 2002 waren onthullingen over haar verleden reden voor staatssecretaris Philomena Bijlhout om direct op te stappen.

Bram Peper (2000)

Minister Bram Peper trad in maart 2000 af als minister van Binnenlandse Zaken vanwege een affaire rond zijn declaraties als burgemeester van Rotterdam. Naar dit declaratiegedrag was onderzoek gedaan door de commissie van de rekening (COR) uit de gemeenteraad van Rotterdam, die daartoe het onderzoeksbureau KPMG inschakelde. Hij trad af om als vrij man te kunnen reageren op het rapport van de COR.

Op 13 juni 2002 sprak het College van Beroep (CvB) voor het bedrijfsleven uit dat het door KPMG uitgevoerde accountantsonderzoek naar het declaratiegedrag een onvolledig en onjuiste rapportage had opgeleverd. Met name de conclusie dat uit het feit dat Peper niet had willen meewerken aan het onderzoek kon worden afgeleid dat het om onrechtmatige declaraties ging, had niet mogen worden getrokken. De onderzoekers van KMPG kregen een schriftelijke berisping.

Affaire-Evenhuis (1989)

Staatssecretaris Evenhuis (VVD) van Economisch Zaken moest kort voor de verkiezingen van 1989 aftreden, omdat hij in de ogen van de Tweede Kamer een onjuist antwoord had gegeven op de vraag van het D66-Kamerlid Engwirda of hij een lening van f 225.000 had afgesloten met het bedrijf Giethoorn Beheer BV.

Evenhuis meldde dat de lening voor z'n zwager was afgesloten. NRC Handelsblad onthulde dat de lening ook voor Evenhuis zelf bedoeld was. Het bedrijf (de eigenaar was de achterbuurman van Evenhuis) had in 1987 een investeringssubsidie gehad waardoor een vermoeden van belangenverstrengeling bestond.

Vanwege deze zaak werd Evenhuis in 1997 samen met zijn zwager en met de oud-directeur van de Groningse Kredietbank gedagvaard door de rechtbank in Groningen. In hoger beroep sprak het Gerechtshof te Leeuwarden hem in februari 1999 vrij van oplichting. Hij werd alleen veroordeeld tot een boete van f 50.000 wegens belastingfraude.

Koeweit-affaire (1989)

Lubbers raakte in juni 1989 opnieuw betrokken bij, wat later ging heten de Koeweit-affaire. Het ging hierbij om een conflict tussen Koeweit en Nederland over een vordering van Hollandia Kloos, die begin jaren tachtig ontstond na een geschil over uitbetaling voor de bouw van een vliegtuighangar.

Tijdens een bezoek van de ministers Lubbers en Van den Broek aan Koeweit in 1984 was tevergeefs gezocht naar een oplossing. Begin 1989 bevroor Nederland de diplomatieke betrekkingen met Koeweit. NRC Handelsblad onthulde een brief waarin Lubbers dit aan de Koeweitse regering meedeelde. De indruk bestond dat vooral hijzelf achter het bevriezen van de relatie zat en sommige Kamerfracties meenden dat Lubbers zakelijke en landsbelangen had vermengd. Ze verweten hem bovendien dat hij de Tweede Kamer onvolledig had ingelicht.

Het CDA zag de 'affaire' als een 'actie beschadiging lijsttrekker', maar Lubbers erkende tijdens een Kamerdebat op 29 juni 1989 dat een verkeerde indruk was gewekt en hij beloofde dat hij zich verder buiten het conflict zou houden.

Henk Koning (1985)

VVD'er Henk Koning kwam in 1985 in opspraak, omdat hij als staatssecretaris van belastingen op grond van een hardheidsclausule de belastingaanslag van de journalist Wibo van der Linde had verlaagd. De Tweede Kamer concludeerde uiteindelijk dat hem niets kon worden verweten.

Charl Schwietert (1982)

Onjuiste verstrekte persoonsgegevens leidden in 1982 tot het vrijwel onmiddellijke opstappen van Charl Schwietert als staatssecretaris van Defensie.

Nevenfunctie Van Aardennne (1981)

Bij het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers stelde PvdA-fractievoorzitter Den Uyl vragen bij een functie die minister Van Aardenne in 1981 had aanvaard. Hij was toen commissaris van Holland Sea Search geworden. Den Uyl vond dat er gevaar bestond voor belangenvermenging als een minister zo snel na zijn aftreden een dergelijke functie aanvaardde.

R3-affaire (1978)

CDA-voorman Ruud Lubbers kwam tijdens zijn politieke loopbaan twee maal in opspraak. In maart 1978 ging het om de zogenoemde R3-affaire. Dit betrof zijn deelname in de Bouwbeleggings- en Exploitatiemaatschappij (R3 CV) van de drie Lubbers-broers. Deze maatschappij had tijdens Lubbers' ministerschap van Economische Zaken (1973-1977) tonnen fiscale investeringsaftrek genoten.

In een door hem uitgegeven verklaring bevestigde Lubbers de gang van zaken en hij verklaarde dat het achteraf gezien beter was geweest als hij als minister had afgezien van de investeringsaftrek om zo het karakter van een strikte privébelegging beter te benadrukken.

In november 1978 maakte Lubbers aan Kamervoorzitter Vondeling zijn belangen in bedrijven en onroerend goed openbaar.

Lintjesaffaire (1909)

Tijdens de verkiezingscampagne van 1909 beschuldigde een advocaat uit Heemstede, mr. Tideman, Abraham Kuyper van gunstbetoon of corruptie tijdens zijn ministerschap. Op de verjaardag van de jonge koningin Wilhelmina, op 31 augustus 1903, zou Kuyper een zekere baron Rudolph Lehmann die zich als consul-generaal van Griekenland ontpopt had als een ijdel jager op decoraties hebben voorgedragen voor een benoeming tot officier in de Orde van Oranje-Nassau, hetgeen in verband werd gebracht met giften door Lehmann aan Kuyper als voorzitter en als thesaurier van de Centrale Commissie der Anti-Revolutionaire Partij ter hand gesteld.

De aanklacht werd door de sociaaldemocratische leider Troelstra in de Tweede Kamer voortgezet. Kuyper erkende onzorgvuldig te hebben gehandeld, maar er was geen sprake geweest van opzet. Tijdens zijn repliek sprak de ARP-leider de gevleugelde woorden: 'het boetekleed misstaat den man niet'.

Een voorstel-Troelstra om een enquête te houden, werd door de rechtse Kamermeerderheid verworpen. Een door Kuyper zelf ingestelde ereraad kon geen verband tussen gift en onderscheiding ontwaren. Maar een hernieuwd ministerschap zat er voor Kuyper niet meer in.

Limburgse brievenkwestie (1865)

In 1865 werd in de Limburgse pers een brief gepubliceerd van de minister van Financiën Betz aan zijn oud-collega Van der Maesen de Sombreff , die in Limburg in een verkiezingsstrijd gewikkeld was geweest. Daaruit kon worden afgeleid dat de minister niet ongenegen was een voorgenomen verhoging van de grondbelasting in Limburg te laten rusten indien de verkiezingen ten gunste van het tweede kabinet-Thorbecke zouden uitvallen.

Als gevolg van deze compromitterende onthulling trad Betz af. De oppositie beweerde dat ook Thorbecke bij dit schandaal was betrokken. Deze ontkende en sprak van achterklap. De antirevolutionaire afgevaardigde de graaf Van Zuylen van Nyevelt stelde daarop aan de Tweede Kamer voor om een enquête te houden.

In een op initiatief van de regering samengeroepen vergadering van de liberale Kamerleden werd besloten om zonder veel discussie, het voorstel Van Zuylen als zijnde een motie van wantrouwen af te stemmen.


Meer over


Bent u als journalist of wetenschapper op zoek naar statistische gegevens over Kamerleden of bewindspersonen, bijvoorbeeld gemiddelde leeftijd, ervaring, herkomst, beroep, m/v, of per politieke partij? PDC, partner van het Montesquieu Instituut, kan deze gegevens onder voorwaarden beschikbaar stellen voor wetenschappelijk onderzoek en journalistieke publicaties. Neem voor meer informatie contact op .

Op bovenstaande tekst en gegevens zijn auteursrechten van PDC van toepassing; overname, in welke vorm dan ook, is zonder expliciete goedkeuring niet toegestaan. Ook de afbeeldingen zijn niet rechtenvrij.