Historische ontwikkeling kabinetten

In de negentiende eeuw verschoof de macht van de Koning naar de ministers, die verantwoording moesten afleggen aan het parlement. Tevens werd collectieve besluitvorming in de ministerraad geïntroduceerd.

Aan het eind van de negentiende eeuw deed de minister-president, als voorzitter van de ministerraad, zijn intrede. Deze heeft in de twintigste eeuw een steeds sterkere positie in het kabinet gekregen.

Sinds 1938 kennen we ministers zonder portefeuille. Sinds 1948 kunnen ook staatssecretarissen deel uitmaken van het kabinet.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

'Voorlopers'

De Nederlandse republiek kende in de zeventiende eeuw al een 'Secreet Besogne', als het ware een verre voorganger van een kabinetsberaad. Sinds de Bataafsche Republiek (vanaf 1795) kent Nederland ministeries van overheidsbestuur, terwijl tijdens het Koninkrijk Holland het koningschap zijn intrede deed als centrum van nationaal bestuur.

Vanaf 1813 bestond er een Kabinetsraad onder voorzitterschap van het staatshoofd, waarvan onder andere de hoofden van de departementen van algemeen bestuur deel uitmaakten.

2.

De ministers en de ministerraad

In de eerste jaren na 1814 waren ministers (letterlijke betekenis: 'dienaren') een soort secretarissen van de Koning, die zelf het land bestuurden. Sinds 1842 bestaat er een ministerraad die gezamenlijk beraadslaagt. Aanvankelijk bracht de ministerraad alleen advies uit aan de Koning. De ministerraad wordt pas in de Grondwet genoemd sinds 1983.

Ministers waren in de negentiende eeuw meestal specialisten op hun vakgebied zonder parlementaire ervaring. Tegenwoordig komt dat minder vaak voor. Er was in die tijd ook weinig onderlinge samenhang tussen de ministers. In navolging van Thorbecke in 1849 wordt nu slechts gerapporteerd over meerderheidsstandpunten van de ministerraad.

Hoewel in de ministerraad collectief wordt besloten over wetsvoorstellen, algemene maatregelen van bestuur en beleidsnota's (collegiaal bestuur met een collectieve verantwoordelijkheid), heeft de verantwoordelijkheid van ministers voor hun eigen departement geleid tot een departementale autonomie.

3.

Ministeriële verantwoordelijkheid en parlementaire controle

In 1840 werd de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd. Besluiten van de Koning moesten vanaf dat moment door één of meer ministers worden medeondertekend. Dit noemt men het contraseign. Naar aanleiding van het voorstel tot Grondwetswijziging van Thorbecke volgde in 1848 ook de politieke ministeriële verantwoordelijkheid. Ministers werden verantwoording schuldig aan het parlement voor hun eigen optreden, dat van het kabinet en van de Koning.

Hierdoor verschoof enerzijds de macht van de Koning naar de ministers en nam anderzijds de parlementaire controle in belang toe. Zo kan de Koning sinds 1868 geen kabinet meer (doen) vormen tegen de wens van de meerderheid van de Tweede Kamer.

4.

Coördinatie van beleid

De minister-president is voorzitter van de ministerraad en de (vanaf 1945 ingevoerde) onderraden en commissies uit de ministerraad. Hiervan kan hij dus de agenda bepalen.

Ofschoon het ambt van minister-president in het laatste kwart van de negentiende eeuw wel informeel werd erkend, heeft de premier pas sinds 1945 officieel een vaste en erkende plek in de ministerraad. In 1918 had de Tweede Kamer de coördinatie van kabinetsbeleid al wel opgedragen aan de voorzitter van de ministerraad.

Overigens kent het kabinet sinds 1971 ook het verschijnsel 'coördinerend minister', die soms vergaderingen van zijn onderraad of commissie voorzit namens de minister-president.

5.

Ontwikkelingen van de twintigste eeuw

Door de toegenomen bemoeienis van de overheid met het maatschappelijk leven is het aantal departementen toegenomen van een stuk of zeven in de negentiende eeuw naar dertien in 2001. Behalve 'gewone' ministers biedt de Grondwet sinds 1938 ook de mogelijk voor het benoemen van ministers zonder portefeuille. Zij zijn wel verantwoordelijk voor een bepaald beleidsterrein, maar hebben niet de leiding over een ministerie (voorbeeld: vanaf 1965 de minister voor ontwikkelingssamenwerking).

Sinds 1948 kent de Grondwet ook staatssecretarissen. Een staatssecretaris heeft geen zitting en ook geen stemrecht in de ministerraad, maar mag wel aan de beraadslaging deelnemen als het zijn beleidsterrein betreft. In 1953 trad de eerste vrouwelijke staatssecretaris aan.

6.

Laatste jaren: prominentere rol minister-president

De laatste jaren is de positie van de minister-president in het kabinet steeds sterker geworden. Zo mag de premier sinds 1979 bij competentieverschillen tussen ministers beslissen wie verantwoordelijk is voor een bepaald beleidsterrein. Als 'regeringsleider' maakt hij of zij deel uit van de Europese Raad die een paar keer per jaar belangrijke richtinggevende uitspraken kan doen over de Europese Unie.

Ook de aandacht van de media (bijvoorbeeld bij de wekelijkse persconferentie en het bijbehorende televisie-interview over de besluitvorming in de ministerraad) en de toegenomen behoefte aan beleidscoördinatie hebben de positie van de minister-president versterkt.

7.

Kabinetten per tijdvak

De Nederlandse kabinetten zijn in verschillende tijdvakken in te delen. De eerste kabinetten vanaf 1848 waren afwisselend liberaal, gematigd liberaal en conservatief. Thorbecke speelde een grote rol in deze periode; hij leidde drie kabinetten. In 1888 kwam er een eerste confessioneel kabinet en vanaf 1918 domineerden confessionele kabinetten. Het politieke landschap was toen sterk verzuild.


meer over