Conservatieve staatsman en financieel deskundige uit een orangistische familie. Werd in 1849 Tweede Kamerlid en interpelleerde in die functie in 1853 de regering over het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie. Werd in het kabinet-Van Hall/Donker Curtius minister van Financiën, maar trad af na een verschil van mening met zijn collega's over belastingvermindering. Na zijn kortstondige ministerschap staatsraad en Commissaris des Konings in Utrecht. Zette zich in die laatste functie in voor de verbetering van wegen en spoorwegen en voor droogmakerijen. Werd in 1880 in de adelstand verheven.