Van 1815 tot 1983 stond in de Grondwet een bepaling (artikel 1) welke gebieden onder het koninkrijk der Nederlanden vielen, al ging het tot 1887 om het grondgebied in Europa. Pas in 1887 werden de koloniën en bezittingen in andere werelddelen vermeld. In 1922 werden Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao genoemd. Die laatste aanduiding werd in 1948 vervangen door de Nederlandse Antillen.
In 1954 kwam het Statuut voor het Koninkrijk tot stand, die de verhouding met de gebieden in het Caribisch gebied en Suriname regelde. Door soevereiniteitsoverdacht verdween Nederlands-Indië in 1949 en Suriname in 1975 uit het rijksverband. Overigens bleef Indonesië, vanwege een formele band, tot 1956 in de Grondwet vermeld staan. Van 1956 tot 1963 was dat het geval met Nederlands Nieuw-Guinea.
Het bestuur in de koloniën (later overzeese gebieds- c.q. rijksdelen genoemd) werd in afzonderlijke Regeringsreglementen en regelingen geregeld. In Nederlands-Indië was tot 1948 een Gouverneur-Generaal de hoogste gezagsdrager en in 1948-1949 een Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon. Suriname, Curaçao (Nederlands-Antillen) en Nederlands Nieuw-Guinea hadden een Gouverneur.
Nadat in 1986 een aparte status kreeg, kwam er in 2010 een herziening van het staatsverband met de Antillen. Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn zelfstandige delen van het Koninkrijk, de andere eilanden (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba) zijn bijzondere gemeenten.