Smallere marges

22 september 2017, column Bert van den Braak

Lange tijd zorgden debatten over financieel-economisch beleid altijd voor enig vuurwerk in het Nederlandse parlement. Vaak ging het om interpellaties, waarin bijvoorbeeld het loonbeleid, de prijs van brood of van melk of de tarieven van post of openbaar vervoer aan de orde kwamen. Ook de huren waren geregeld goed voor pittige debatten. Terecht constateerde Caroline de Gruyter in haar op 15 september jl. gehouden Europalezing, dat daarin al geruime tijd een verschuiving is opgetreden. Financieel-economische debatten worden in de Tweede Kamer steeds zeldzamer. Andere onderwerpen (zorg, integratie, veiligheid) zijn prominenter geworden.

Je zou kunnen denken dat die ontwikkeling vooral door 'Europa' komt. Het is zeker zo dat privatisering en verzelfstandigingen (van bijv. de PTT) door Europese regels een extra impuls kregen, maar het is te simpel om dat als enige verklaring te zien. Tijdens de crisis van de jaren tachtig, waarin de staatsfinanciën volledig uit het lood waren geslagen, besloot het kabinet-Lubbers I tot ingrijpende veranderingen waaronder het afstoten van overheidstaken. De aanzet daartoe was al tijdens het kabinet-Van Agt I gegeven, toen een ambtelijke studiegroep mogelijkheden aangaf om orde op zaken te stellen op de begroting.

Eerder, in de jaren zeventig, was er steeds meer kritiek gekomen op de bevoegdheid die de regering had om in te grijpen in de loonontwikkeling. Minister Veldkamp slaagde er in 1963 in een akkoord te bereiken over nieuwe (vrijere) spelregels, maar in 1969 eigende minister Roolvink zich via een Wet op de loonvorming nieuwe bevoegdheden toe. Het maatschappelijk verzet was massaal. Ook de ministers Boersma (kabinet-Den Uyl) en Albeda (kabinet-Van Agt I) namen nog loonmaatregelen, al had Boersma in 1976 wel het wetsartikel geschrapt om rechtstreeks in cao's in te kunnen grijpen. In 1987 werd de mogelijkheid tot overheidsingrijpen door minister De Koning feitelijk afgeschaft. Bij de Prijzenwet die ingrijpen in de prijsvorming mogelijk maakt, deed zich een zelfde ontwikkeling voor. Door een wijziging in 1993 is toepassing tot 'ultimum remedium' geworden. Huurverhogingen zijn inmiddels aan wettelijke regels gebonden. De parlementaire invloed nam navenant af.

Ook bij de overheidsuitgaven is bewust gekozen voor strikte regels, die de nationale speelruimte beperken. Uiteraard liggen die in het verlengde van het eerder bij de introductie van de euro overeengekomen Stabiliteits- en Groeipact. In 2013 kwam de Wet houdbare overheidsfinanciën tot stand, die vastlegt dat gezonde overheidsfinanciën zich moeten uitstrekken over meerdere kabinetsperioden. Ook voor decentrale overheid (provincies, gemeenten) geldt dat zij aan 'houdbaarheid' moeten bijdragen. De wet kwam tot stand met de stemmen tegen van PVV, SP, GroenLinks ChristenUnie en Partij voor de Dieren. Een ruime meerderheid (ruim tweederde) was dus vóór. De ChristenUnie had vooral bezwaar tegen de aantasting van de autonomie van decentrale overheden. Aan indiening was bovendien aanneming op 16 december 2010 van een motie-Harbers/Blanksma voorafgegaan, die had gevraagd begrotingsregels in de Comptabiliteitswet te verankeren. Die motie werd aangenomen met steun van VVD, CDA, SGP en PVV (!). Om de wet was dus nadrukkelijk door een Kamermeerderheid gevraagd.

Er zijn dus al allerlei grote stappen gezet waardoor de nationale regering - maar ook het nationale parlement - minder zeggenschap heeft over het financieel-economisch beleid. Dat was zeker in belangrijke mate het gevolg van intensere Europese samenwerking, maar vaak was dat geïnitieerd en van harte ondersteund door het nationale parlement. Het zijn bewuste stappen geweest, omdat stabiliteit in de eurozone en de EU ook in ons belang is, zoals het eerder ook wenselijk werd geacht dat prijs- en loonvorming zonder overheidsingrijpen plaatsvinden. Dat alles betekent uiteraard niet dat de rol van het nationale parlement op financieel-economisch terrein geheel is uitgespeeld. De verdeling van uitgaven binnen de afgesproken begrotingskaders is betekenisvol, zoals dat ook geldt bij vaststelling van randvoorwaarden (belastingen, toeslagen) voor loonvorming.

Over de vraag of nog striktere Europese regels nodig zijn of dat er bijvoorbeeld een 'Europese' minister van Financiën moet komen, kan worden gediscussieerd. Ook dan zal - zoals bij alle Europese regelgeving - zeker de vraag aan de orde komen wat Europees moet en wat nationaal. Bewuste stappen die in het verleden zijn gezet, kunnen echter niet zo maar terzijde worden geschoven. Met internationaal opererende financiële instellingen en bedrijven, bij sterke verwevenheid van nationale economieën en bij de noodzaak om gemaakte afspraken te handhaven, kan effectieve coördinatie niet ontbreken. Dat maakt sterke Europese bemoeienis onvermijdelijk.

Of dat heel erg, is de vraag. Er is al lang veel minder nationale zeggenschap op financieel-economisch gebied. Sommige marges waren al smal en zijn nog wat smaller geworden. We blijken daarmee heel goed te kunnen leven.


Andere recente columns