Opleiding geen bezwaar (2)

3 april 2015, column J.Th.J. van den Berg

(…) Tot in de jaren zeventig kwam een academisch of hoger opgeleide vrouw of man uit ‘de betere milieus’ van de maatschappij. Intussen is een opleiding geen teken meer van stand maar van gebleken talent en discipline; veelal ook een teken van emancipatie en maatschappelijke verheffing.

Wat is er dan voor bezwaar aan (hoge) opleiding in ons parlement, vooral als het politieke ambt veeleisender en ingewikkelder is geworden?’

Veel lezers zullen deze laatste zin hebben opgevat als een retorische vraag. Wie klaagt over voornamelijk hoog opgeleide mensen in het parlement en trouwens ook in de gemeenteraad, die zeurt eigenlijk. Waarvoor al die moeite om de bevolking op een veel hoger opleidingsniveau te brengen als die opleiding vervolgens wordt beschouwd als een bezwaar uit oogpunt van sociale representativiteit? Alle verheffing voor niks, want de daardoor verhevenen dienen zich voor dit succes te schamen. Zo retorisch was die vraag aan het einde dus ook bedoeld.

Ten dele was zij ook bedoeld als een cliff hanger. Want met de conclusie dat klagers over hoog opgeleide Kamerleden niet moeten zeuren is het verhaal niet voltooid. Al eerder is in deze column de ‘diplomademocratie’ 1) aan de orde geweest, geïnspireerd door het gelijknamige boek van Mark Bovens en Anchrit Wille 2). Zij immers meenden een groeiende kloof in de samenleving waar te nemen tussen mensen met een hoge opleiding (HBO en WO) en lager opgeleide burgers (max. MBO).

Deze kloof manifesteert zich niet alleen doordat er van lager opgeleide burgers weinig waar te nemen is in parlement en gemeenteraden. Hun houding ten opzichte van de democratie en hun vertrouwen in de politieke instellingen verschillen van die van hoger opgeleide burgers. Zij hebben grote moeite met de internationalisering van onze samenleving, dankzij massale immigratie enerzijds en afbrokkelende nationale soevereiniteit anderzijds. Hoog en laag opgeleide burgers groeien sociaal uit elkaar, gemeten naar huisvesting, omgangsvormen en bezigheden in vrije tijd. Bovens en Wille construeren als het ware een nieuwe klassenmaatschappij. Ieder die een hogere opleiding heeft genoten is daarbij aan ‘de verkeerde kant’ terecht gekomen, daarbij inbegrepen elke volksvertegenwoordiging. Die ‘dus’ niet meer representatief zou zijn. Toch een probleem.

Een andere belangwekkende studie, ‘De wankele democratie’ 3) geheten, ontkent het probleem weliswaar niet, maar relativeert het tegelijkertijd. Er zijn tegenstellingen in samenleving en politiek die samenvallen met het niveau van opleiding (is het ooit anders geweest, trouwens?) maar er zijn er evenveel waar opleiding niet relevant is. Als het gaat om politieke desinteresse is er nauwelijks van een tegenstelling sprake. Als het gaat om diverse vormen van ongenoegen, over te snelle europeanisering, of over te grote verbrokkeling en te weinig daadkracht in de politiek, dan ontlopen hoge en lage opleiding elkaar opnieuw niet veel.

Als het gaat om algemeen vertrouwen in democratie en politieke instellingen is er in Nederland sprake van vrij sterke golfbewegingen sedert het begin van deze eeuw, maar hoog en laag opgeleid golft telkens mee.

Wat tussen hoog en laag opgeleide burgers bezig is weg te vallen zijn de gemeenschappelijke ‘grote politieke verhalen’, in het bijzonder die van christendemocratie en sociaaldemocratie. Vooral de laatste lijkt in tweeën te worden gescheurd door het elitaire GroenLinks en D66 enerzijds en de meer uitgesproken volkse SP aan de andere kant. Paradoxaal: ook de volksvertegenwoordigers van de SP zijn hoog opgeleid. Dat geldt zelfs voor de PVV, ook al zet die zich nog zo theatraal tegen de ‘maatschappelijke elite’ af.

Er is ontegenzeglijk een vraagstuk van moeizamer samenleven tussen mensen met hogere en lagere opleiding. De politieke besluitvorming van het laatste decennium heeft daarop eerder stimulerend dan remmend gewerkt.

In de politiek is een ander probleem waarschijnlijk groter: het afgenomen vermogen van oude en nieuwe politieke partijen om burgers te mobiliseren voor een politiek die sociale scheidslijnen overbrugt en mensen van hoge en lage opleiding bijeenhoudt. Precies dit vraagstuk werd in zijn laatste levensjaren de preoccupatie van Joop den Uyl, die daarover schreef in een weinig opgemerkt stuk in de bundel ‘De toekomst onder ogen’ 4) met speeches en artikelen van de voormalige minister-president. Het is intussen het probleem geworden, niet alleen van ‘zijn’ Partij van de Arbeid maar ook van het CDA.


  • 1) 
    Column: ‘Diplomademocratie?’, 29 juli 2011.
  • 2) 
    Mark Bovens en Anchrit Wille, Diplomademocratie. Over de spanning tussen meritocratie en democratie, Amsterdam: Bert Bakker, 2011.
  • 3) 
    Jacques Thomassen, Carolien van Ham en Rudy Andeweg, De wankele democratie. Heeft de democratie haar beste tijd gehad?, Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014.
  • 4) 
    J.M. den Uyl, Na de tweedeling in: Idem, De toekomst onder ogen. Beschouwingen over socialisme, economie en economische politiek, Amsterdam, Bert Bakker Tijdsdocumenten, 1986, 165–179.


Andere recente columns