Verkeerde keuzes

22 januari 2010, column Bert van den Braak

Het was beter geweest als het Irak-onderzoek eerder was gehouden. Dat is de eerste conclusie van de Commissie-Davids. Die kritiek richt zich uitsluitend tot die partijen die tot 2009 tegen zo'n onderzoek waren, namelijk CDA, VVD (inclusief Wilders), ChristenUnie, SGP en LPF. Er zijn immers tot 2009 diverse voorstellen gedaan om een onderzoek in te stellen.

Op 3 maart 2004 verwierp de Tweede Kamer een motie-Karimi (GroenLinks) waarin om een onafhankelijke onderzoekscommissie werd gevraagd en op 6 oktober 2005 gebeurde hetzelfde met een motie-Karimi/Koenders. Die tweede motie vroeg om instelling van een werkgroep door de Kamer, die op basis van door de regering ter beschikking gestelde informatie moest bezien of een onafhankelijk of parlementair onderzoek noodzakelijk was.

Aanleiding voor die tweede motie waren uitlating van minister Bot, die tijdens een algemeen overleg met de Kamer had gezegd dat 'met de kennis van nu' (sic) de invasie van Irak anders beoordeeld had kunnen worden.

In het licht van deze eerdere discussies was het overigens opmerkelijk dat sommige fracties in februari 2009 zo te hoop liepen tegen de instelling van de Commissie-Davids. De keuze voor een extern onderzoek in plaats van een parlementaire enquête bleek bepaald niet verkeerd.

De Commissie-Davids stelt verder dat in de Tweede Kamer voorafgaand aan de oorlog in Irak geen noemenswaardig debat plaatsvond over de dreiging die uitging van het Irakese programma voor massavernietigingswapens. Wat de direct daaraan voorafgaande periode betreft, is dat juist. Al in 1998 was de Iraakse dreiging echter wel degelijk onderwerp van debat geweest. Toegegeven: de context was toen anders dan in 2002/2003, maar toen al bepaalden fracties hun posities voor het verdere Irakbeleid.

In februari 1998 liet het toenmalige kabinet (Kok I) weten dat de VS serieus overwoog militaire middelen in te zetten om Irak te dwingen Veiligheidsraadsresoluties na te leven. Tijdens een op 11 februari 1998 door Maxime Verhagen aangevraagde interpellatie naar aanleiding van de vraag of de VS daarbij Nederland om (politieke) steun had gevraagd - de Commissie-Davids vermeldt dit debat niet - zei de toenmalige CDA-woordvoerder:

"(...) Irak zal moeten voldoen aan de eisen die de internationale gemeenschap heeft gesteld aan de controle en de inspectie van chemische en bacteriologische wapens. (...) Geweld kan hierbij als uiterste middel niet worden uitgesloten (...). De CDA-fractie heeft ook aangegeven dat Nederland naar haar mening zich achter de VS moet opstellen." Van die toenmalige CDA-fractie was Jaap de Hoop Scheffer voorzitter.

VVD-woordvoerder Frans Weisglas sprak tijdens het debat over de opbouw van een groot arsenaal aan vooral bacteriologische en chemische wapens door Irak. Dat beeld was toen leidend voor de opstelling van de fracties van CDA en VVD in het Irakbeleid en bleef dat, ook na de Amerikaans/Britse 'Operatie Desert Fox' in 1998.

Dat de Kamer in de periode 2002-2003 niet over de Iraakse wapendreiging debatteerde, is juist. In februari en september 2002 stelde PvdA-Kamerlid Koenders echter wel vragen over het wapenarsenaal en over een mogelijk militair optreden van de VS in Irak (ook dat vermeldt de Commissie-Davids merkwaardig genoeg niet). Minister Van Aartsen antwoordde onder meer: "evenals de VS streeft de Europese Unie naar uitvoering van alle VR-resoluties, gericht op volledige ontmanteling van de Irakese massavernietigingswapens". De Hoop Scheffer schreef in september 2002 dat de Iraakse dreiging als reëel werd beschouwd. De dreiging werd derhalve als vaststaand feit gezien en een debat erover lag niet in de rede.

VVD en CDA trokken vanaf 2002 als regeringspartners hun in 1998 ingenomen standpunt door naar het besluit tot politieke steun in maart 2003 (het begrip 'politieke steun' werd overigens al tijdens de interpellatie-Verhagen in 1998 genoemd; Koenders meldde de commissie-Davids dat het begrip voor hem in 2003 nieuw was).

Als er al een les kan worden geleerd, dan zou dat kunnen zijn dat een eenmaal ingenomen standpunt verkeerd kan zijn en dat signalen om de koers te verleggen niet moeten worden genegeerd. Of het reëel is te veronderstellen dat die les echt valt te trekken, is zeer de vraag. Het bepalen van beleid is immers een kwestie van politieke keuzes en het is naïef om te denken dat partijen bij zulke fundamentele kwesties snel andere posities zullen betrekken.

Davids verwijten richten zich niet tegen de Tweede Kamer als instituut, maar tegen de Kamermeerderheid die zowel in aanloop naar 2003 als daarna op verschillende momenten verkeerde keuzes maakte. Dat is deels een oordeel met kennis achteraf, maar deels zeker niet.



Andere recente columns