Algemeen kiesrecht van Cort van der Linden - Grondslag voor parlementaire stelsel (1915)

Het kabinet-Cort van der Linden heeft midden in oorlogstijd de grondslag gelegd voor de pacificatie-politiek, welke vooral ten tijde van de brede basis de Nederlandse staatkunde zou kenmerken.

Het bracht links en rechts samen op twee punten waarop zij elkander tot dusver hadden bestreden: het kiesrecht en de schoolkwestie. De schoolstrijd werd beslecht door de financiële gelijkstelling van open-baar en bijzonder onderwijs. Daarnaast kwam de invoering van het algemeen mannenkiesrecht.

Dit laatste voorstel is door Cort van der Linden het best gemotiveerd, niet bij de verdediging van zijn wetsontwerp in de Kamers, doch bij de schriftelijke voorbereiding van het debat, in zijn memorie van toe-lichting. Kennisneming van een dergelijk stuk is vaak noodzakelijk om een debat goed te kunnen volgen. Het behoort tot de bijlagen van de Handelingen. Het is voor de Stenografische Dienst vooral studiestof.

Het interessante van dit stuk was, dat Cort van der Linden ontkende, dat de ontwikkeling van de individuele kiezers voldoende voortgeschreden zou zijn om ze te kunnen laten oordelen over alle vragen van staatsbestuur. Maar hij achtte de kiezers wel in staat zich er rekenschap van te geven met de beginselen van welke partijen zij zich het best konden verenigen. Dit was daarom zo opmerkelijk omdat Cort van der Linden bij de verdediging van de formatie van zijn minderheidskabinet getoond had niet blind te zijn voor de feilen van het partijwezen, welke destijds door een studie van Ostrogorski naar de politieke verhoudingen in de Verenigde Staten en Engeland, aan het licht waren gebracht.

1.

Handelingen Tweede Kamer, 29 oktober 1915

De minister van Binnenlandsche Zaken: Een breed betoog ter motiveering van de noodzakelijkheid om artikel 80 en de daarmede overeenstemmende bepalingen der artikelen 127 en 143 te wijzigen, zal wel niemand verwachten. De 'kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand' vinden geen verdediging meer; het daarop gevestigde kiesstelsel wordt van alle zij-den als verouderd en onredelijk aangemerkt.

Moet men echter deze, trouwens weinig zeggende, eischen loslaten, dan staat men voor dit alternatief om óf het algemeen kiesrecht te aanvaarden óf opnieuw onderscheidingen te maken die, theoretisch wellicht verdedigbaar, praktisch willekeurig zullen blijken. De aanvaarding van het alge-meen kiesrecht is reeds daarom gerechtvaardigd omdat het de laatste schrede zal zijn op den in 1848 ingeslagen weg, aan welks uiteinde, naar reeds Thorbecke in 1844 voorspelde, het algemeen stem-recht is gelegen. Niet als een natuurrecht, maar eenvoudig als eene vrucht van de historische ontwikkeling dient thans aan alle Nederlanders van bepaalden leeftijd, die niet om bijzondere redenen zijn uit te sluiten, het kiesrecht te worden geschonken.

De eisch van maatschappelijken welstand en geschiktheid was de laatste incorporatie van het denkbeeld dat oorspronkelijk de toekenning van het kiesrecht beheerschte. Die eisch was in zijne vage abstractie de laatste poging om nog vast te houden aan de grondgedachte, welke in de praktijk reeds lang schipbreuk had geleden.

Schipbreuk geleden in tweeërlei opzicht.

Bij het zeer beperkt kiesrecht van voorheen was de fictie dat de ge-roepenen tot oordeelen bevoegd waren, niet al te zeer met den feitelijken maatschappelijken toestand in tegenspraak. Naarmate die toe-stand zich wijzigde, drong het aangenomen beginsel tot uitzetting der grenzen. In toenemende mate openbaarde vergelijking van ge-roepenen en uitgestotenen het ontbreken van een rechtsgrond der uitsluiting. In toenemende mate moest de uitsluiting als een onrecht worden gevoeld. Het kon niet uitblijven, dat bij het zeer uitgebreide kiesrecht van thans de grond voor de nog gehandhaafde uitsluiting moest wegzakken.

In de tweede plaats werd echter het beginsel zelf, waaraan men nog steeds theoretisch vast hield, practisch meer en meer prijsgegeven. Meer en meer moest men zich afvragen of deze kiezers, individueel genomen, nu inderdaad eenigen waarborg gaven dat zij in staat zou-den zijn een gegrond oordeel te hebben over de ingewikkelde vragen van Staatsbeleid. Zoude men in waarheid kunnen getuigen dat de individueele ontwikkeling der in ruimer mate toegelaten kiezers ook maar in de verte gelijken tred heeft gehouden met de moeilijkheid der op te lossen vraagstukken, onvermijdelijk bij de uitbreiding der Staatstaak in het zich krachtig ontwikkelend sociale leven?

Naarmate het kiesrecht werd uitgebreid, werd het antwoord moeilijker op de vraag: wat heeft de geschiktheid van den kiezer, in den zin van bijzondere electorale bgaafdheid, te maken met het kiesrecht? De welstand dan? Noch als bewijs van praeëminent belang noch als bewijs van maatschappelijke onafhankelijkheid was deze eisch van bijzonderen welstand tegen de gevolgen der geleidelijke uitbreiding van het kiesrecht bestand. Hoe langer hoe minder was vol te hou-den, zelfs met schijn van recht, dat de uitgestotenen minder belang hadden bij het staatsbestel of de rechtsvorming dan de door de wet tot kiezers gecreëerde burgers. Zoo moest het ook worden ten aan-zien der maatschappelijke onafhankelijkheid.

Naarmate men lager daalde, bleek deze onafhankelijkheid meer en meer een onware fictie: te meer omdat het sociale leven zich ontwikkelde tot een systeem van in tallooze schakeeringen zich openbaren-de samenwerking. De praktijk heeft over de gansche lijn de theorie verslagen. Men moet haar prijs geven.

De individualiteit der kiezers is ondergegaan in de massa. Men zoekt de waarde van de uitspraak der kiezers in het collectieve oordeel over beginselen van rechtsvorming, welke, getoetst aan eigen levenservaring, als het rechtsgevoel bevredigend worden aanvaard. Men verwacht dat op den duur het gezond verstand der massa de personen zal weten aan te wijzen die het best in staat zijn, deze beginselen in praktijk te brengen. De partijgroepeering met hare parlementairefractiën,fractiebesturen en fractievergaderingen, met hare extra-parlementaire organisatie, met hare verkiezingsleuzen, partijleiders en propagandisten, is een poging tot realisatie van het massale poli-~ tieke en rechtsbewustzijn.

Wat van den kiezer tegenwoordig wordt verlangd, is niet bekwaamheid tot oordeelen over tal van vragen van Staatsbeleid, maar alleen eene zoodanige belangstelling in de publieke zaak dat hij zich rekenschap geeft met de beginselen van welke politieke partij hij zich het best kan vereenigen.

Het noodwendig gevolg van dezen ontwikkelingsgang is dat geen rechtsgrond bestaat om een deel der burgers, levende en arbeiden-de in dezelfde nationale en zedelijke gemeenschap als de overigen, van het bij uitstek nationaal bedrijf verwijderd te houden. Er is geen enkele rechtsgrond waarom ook zij geen deel zouden hebben aan de vorming van die gemeenschappelijke overtuiging die de hechte grond moet zijn van Staatsbestuur en wetgeving.

Uitsluiting van een deel der burgers van het kiesrecht splitst de natie in twee deelen, het eene medebevelend, het andere alleen gehoorzamend. Splitsing leidt de politieke energie in revolutionaire baan. Deelneming van allen wekt en bevordert de nationale gedachte. Zij kweekt het gevoel van saamhoorigheid en lotsgemeenschap; zij geeft den vasten bodem waarin het zelfbestuur der natie wortelt.

De ontwikkeling der democratie te midden waarvan wij leven ver-toont ongetwijfeld ernstige gebreken en het is een open vraag in hoever zij in staat zal zijn die gebreken te overwinnen en zich te handhaven. Die ontwikkeling echter is niet te stuiten en de eerste voorwaarde om het parlementaire stelsel verder op te bouwen is: dat de vaste grondslag gelegd worde, die alleen in het algemeen kiesrecht te vinden is.

Moet in dezen gedachtengang het kiesrecht niet ook aan vrouwen worden gegeven en wel op denzelfden voet als aan mannen? Het is duidelijk dat argumenten, ontleend aan de individueele geschiktheid der vrouwen, als verouderd en niet ter zake dienende moeten worden ter zijde gesteld. De vraag is echter deze of vrouwen evenals mannen behoorende tot de nationale gemeenschap van de behartiging der publieke zaken mogen worden uitgesloten. Maar indien een scheiding der burgers omdat zij lederen rechtsgrond mist wordt verworpen, gaat het dan aan de veel belangrijker scheiding tusschen burgers en burgeressen te handhaven?

De vraag zoo stellende neemt men echter als bewezen aan wat nog een open vraag is. Men vergelijkt twee zaken die, volgens de tegen-standers van het kiesrecht der vrouw, niet gradueel maar principieel verschillen. Het verschil in politieke rechten wordt gegrond op het verschil in functie welke in de maatschappelijke organisatie aan mannen en vrouwen toekomt. Het feit dat vrouwen evenals mannen behooren tot de nationale gemeenschap kan derhalve niet beslissend zijn, want de grond voor een eventueele uitsluiting ligt dieper dan de grond waarop de nationale gemeenschap is gebouwd. Is de maatschappelijke roeping der vrouw inderdaad principieel verschillend van die des mans en zoude de deelneming der vrouw aan het Staatsleven de vervulling van hare natuurlijke functie verzwakken, dan werd schade berokkend aan het maatschappelijk organisme dat niet beheerscht wordt door de nationale gemeenschap maar waarvan deze slechts een deel is.

Deze vraag, welke de roeping is der vrouw in onze samenleving, be-hoort tot de groote problemen van onzen tijd, en het zoude voorbarig zijn te voorspellen in welken zin zij zal worden opgelost. Maar men mag ook, indien men eene principieele beslissing als praematuur afwijst, toch het oog niet sluiten voor twee feiten die de practische staatkunde beheerschen. Vooreerst is van groote beteekenis het feit dat in toenemende mate de vrouwen zelve begeerig zijn deel te nemen aan het politieke leven en als eerste voorwaarde daartoe het kiesrecht te verwerven.

Met dat feit heeft de practische staatsman rekening te houden, ook als hij van meening mocht zijn dat de vrouwenbeweging naar een verkeerd doel leidt. Het is geheel iets anders of de vrouwen stilzwijgend of uitdrukkelijk het Staatsbedrijf aan de mannen overlaten dan wel of zij, of althans een deel van haar, hare politieke eenheid met de mannen gevoelend, de uitsluitende bestuursmacht der mannen als een ongerechte heerschappij verwerpen. Zij, die meenen dat de vrouwen door deze beweging zich zelve en de maatschappij schaden, zullen niettemin wijs handelen in-dien zij, toegevend, het gevoel van onrecht wegnemen, en van de natuurlijke ontwikkeling der dingen het betere inzicht der vrouwen zelve verwachten. Voor het Staatsbestel op zich zelf is de deelneming der vrouw zeker eer voordeelig dan nadeelig en haar intuitief vermogen past ongetwijfeld in een orde van zaken welke hoofdzakelijk meer met instinctmatig inzicht dan met logische gevolgtrekking rekening houdt.

Een ander feit van beteekenis is dit dat hoe langer hoe meer vrouwen zelfden maatschappelijken arbeid verrichten als mannen. Het zoude voorbarig zijn hieruit te besluiten tot eene definitieve gelijk-stelling der beide sexen. De invloed op het gezinsleven is nog niet, zelfs niet bij benadering, vast te stellen. Evenmin is de vraag te beantwoorden of de dubbele krachtsinspanning van man en vrouw ten slotte zal leiden tot vermeerdering van het gezinsinkomen of ten slotte door de verdubbeling der concurrentie zal leiden tot onoeconomische krachtverspilling.

Niet zonder beteekenis in dit opzicht is de omstandigheid, dat, terwijl de ' vrouwenbeweging voortgang maakt in de hoogere en middenklasse, in de klasse der arbeiders de beperking van den noodlottig gebleken vrouwenarbeid een eisch wordt geacht van algemeen belang. Het is ook de vraag welke richting de vrouwenbeweging zal inslaan bij de ontwikkeling van het charitatieve deel onzer samenleving dat de natuurlijke uitbreiding schijnt van de vrouwelijke gezinswerkzaamheid. Dit alles neemt echter niet weg dat in toenemende mate de maatschappelijke functie van man en vrouw gelijksoortig wordt en het logisch gevolg daarvan schijnt te zijn dat deze gelijkstelling moet leiden tot gelijkstelling van publieke rechten.

Deze beschouwing leidt er toe dat de principieele uitsluiting der vrouw niet gehandhaafd mag worden. Het zal veeleer de taak des wetgevers zijn vast te stellen in hoever de maatschappelijke toestanden het verleenen van het kiesrecht wettigen. Het laat zich voorzien, dat de wijziging die deze toestanden ondergaan, tot geleidelijke uit-breiding van het kiesrecht zullen nopen. De wetgever blijve te dezen aanzien geheel vrij. Met eene uitzondering.

Het kiesrecht mag niet worden toegekend of onthouden op grond van verschil in maat-schappelijken welstand. Het aannemen van dergelijk kenteeken ware een niet gerechtvaardigde terugkeer tot het ten aanzien van het mannenkiesrecht prijs gegeven standpunt. De wetgever moet zich reken-schap geven van den invloed der vrouwenbeweging op het rechts-gevoel der natie en op de maatschappelijke functie door vrouwen uitgeoefend, maar hij wachte zich voor eene nieuwe splitsing in maatschappelijke klassen, die in onzen tijd geen rechtsgrond heeft, en het gevoel van saamhoorigheid van de verschillende deelen van het volk ten ernstigste zoude schaden.

Handelingen TK, Bijlage b. 226

 

Meer over

Literatuur

  • W.J. van Welderen Rengers: Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland, Den Haag 1955 IV door C. W. de Vries p. 153 C. W. de Vries: afscheidscollege, Cort van der Linden, de visie van een groot staatsman, 's-Gravenhage 1952
  • C.K. Elout: Figuren en Momenten, Amsterdam 1938 p. 61
    • A. 
      Lijphart: Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, Amsterdam 1968