Een onbezonnen aanslag - Indiening der 'Worgwetten' (1903)

In de namiddag van 25 februari 1903 vroeg, in de Tweede Kamer, de minister-president Abraham Kuyper, de machtige antirevolutionaire partijleider, het woord. Hij wenste een toelichting te geven op een drietal wetsontwerpen, welke hij zojuist op het bureau van de kamervoorzitter - zijn geestverwant baron Mackay - had laten deponeren.

De uiterst correcte president had hier binnenskamers bezwaren tegen geopperd. Niet alleen omdat het ongebruikelijk was. Doch omdat over hetzelfde onderwerp waarover de premier zou spreken, al twee interpellaties waren aangevraagd en toegestaan.

In afwachting daarvan achtte hij het moeilijk na een regeringsverklaring, verder debat te couperen zonder op de rechten der afgevaardigden te gaan staan. Kuyper stond er echter op, 'dat hij het karakter der wetsontwerpen officieel zou stempelen, eer de socialisten de gelegenheid hadden die te dementeren'.

De regering had haar antwoord gereed op de spoorwegstaking eigenlijk een solidariteitsbetuiging met de stakende havenarbeiders welke eind januari enkele dagen heel het spoorwegverkeer had lam gelegd.

De spoorwegmaatschappijen hadden toe moeten geven. Steeg het zelfvertrouwen der vakorganisaties daardoor ten top de antikritiek van de behoudende liberalen, dat het kabinet-Kuyper zich had laten verrassen, kreeg bijval, ook bij aanhangers van de regering.

Het prestige van Kuyper - de welsprekende predikant, de aanbeden leider der antirevolutionairen - die in zijn lange loopbaan een krant, een partij, een universiteit en een kerk had gesticht en van wie verwacht werd dat hij nu wel het sociaal vraagstuk te lijf zou gaan, stond op het spel. Geprikkeld en uitgedaagd, toonde Abraham de Geweldige zoals de socialistische caricaturist Albert Hahn hem had getekend, zijn vuist.

'De onbezonnen aanslag op de hoofdfactor voor de levensbeweging der maatschappij werd bestraft met de antistakingswetten (of de worgwetten, zoals de socialisten scholden). Wetsontwerpen waartegen een algemene politieke staking werd uitgeroepen.

1.

Handelingen Tweede Kamer, 25 februari 1903

De heer Kuyper, Minister van Binnenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter! De Regeering meent aan een bestaand verlangen tegemoet te komen, door bij de inbrenging van drie ontwerpen van wet, die ik de eer had, op uw tafel neder te leggen, eene korte mededeeling te voegen.

De stoornis, einde Januari in het spoorverkeer teweeggebracht, overviel de Regeering geheel onverhoeds. Niet het flauwst gerucht ervan was vooraf tot enig Departement doorgedrongen. Geheel onvoorbereid op verweer, greep deswege de Regeering opzettelijk niet or het eigen oogenblik in. Ingrijpen, zoolang door ontstentenis van middelen, doortasten ondenkbaar was, zou het kwaad verergerd, niet verbeterd hebben.

Toen echter de snelle, zij het ook verre van gewenschte, afloop voor het eerste verzet geen ontspanning bracht, en de overmoed zelfs in sociale en politieke bedreiging oversloeg, requireerde de bevoegde autoriteit krijgsvolk, dat er niet was. Vandaar toen de oproeping van een leel der militie, noodzakelijk om verdeen gruwel als van Durgerdam te voorkonen, aan de driestheid ontzag in te boeeten, en aan de rustige burgers onder lle standen dat gevoel van zekerheid te ergeven, dat hun een oogenblik begaf.

Dank zij dien maatregel is de toestand lan ook feitelijk gebeterd, en lof komt aan de ingelijfden toe, die èn prompt opkwamen èn fier aan elke poging, om hen tot verzaking van plicht en schending van geweten te verlokken, weerstand boden. Doch al is zoodoende de storm gaan liggen, nog niet alle wolken dreven af. Immers door deze staking zijn leemten in onze staatsinrichting en in onze wetgeving aan het licht gekomen, waarin moet worden voorzien.

Ieder toch weet het nu, omdat hij het voor oogen zag, hoe zulk eene spoorwegstaking met zoo menige gewone werkstaking den naam ternauwernood gemeen heeft. Er zijn tal van werkstakingen, die geen ander karakter dragen dan van eene oeconomische worsteling tusschen patroons en werklieden en die oeconomisch moeten worden beslecht.

Maar wat hier plaats greep was een onbezonnen aanslag op den hoofdfactor voor de levensbeweging der maatschappij; eene onduldbare belemmering, der Overheid aangedaan in de uitoefening van haar functiën; een opofferen van de welvaart van heel een volk aan zucht naar klasseinvloed; een machtsmiddel, nu reeds geschikt gekeurd voor oefening van politieke dwingelandij.

Tegen dit gevaar nu is drieërlei noodig. Ten eerste moet onder de steeds beschikbare hulpmiddelen van den Staat voortaan eene spoorbrigade worden opgenomen, die in geval van nood 's Rijksdienst op de spoorwegen verzekeren kan.

Doch dit is niet genoeg. Er moet in de tweede plaats in het personeel zelf een andere geest worden aangekweekt, door aan grieven, die rechtmatig blijken, recht te doen wedervaren. Te dien einde zal eene Staatscommissie met enquêtebevoegdheid de rechtspositie en de dienstvoorwaarden van het personeel hebben te onderzoeken, en voorstellen moeten ontwerpen, om voor nu en voor de toekomst aan het personeel vastheid van positie onder 's Rijks bescherming te verzekeren.

Een onderzoek te noodzakelijker, waar in de derde plaats niet langer mag worden uitgesteld om wat misdadig is, dan ook misdrijf in ons recht te heeten; en zulks zoowel om de persoonlijke vrijheid op het arbeidsveld met betere waarborgen te omringen, als om vast te stellen, dat er, naast de openbare ambten, diensten ten behoeve van de publieke zaak te verrichten zijn, waarbij niet elke plichtsverzaking door de Overheid straffeloos kan worden geduld.

Voor elk dezer drie maatregelen is de medewerking der Kamer vereischt. De Regeering doet ter verkrijging daarvan een ernstig beroep op den steun van alle partijen in de Staten-Generaal, die de wettige huisorde in den Staat geëerbiedigd willen zien. Reactie wil hier niemand; op de hervorming van onze sociale toestanden blijft èn Regeering èn Kamer onveranderlijk aansturen; maar het schip van staat mag niet met ons gedoogen geënterd worden.

In het welbegrepen belang van alle partijen moet het wettig gezag onverzwakt worden gehandhaafd.

Handelingen: 1902/03 ll p. 926

 

Meer over

Literatuur

  • A.J.C. Ruter: De spoorwegstakingen van 1903, Leiden 1935