Een slag in de lucht

29 december 2006, column Bert van den Braak

De afloop van de crisis rond de motie over het generaal pardon heeft tot vele bespiegelingen geleid. Er werd verwezen naar 1868 en 1994 en er werden vergelijkingen gemaakt en oordelen geveld. Maar zouden we niet nuchter moeten constateren dat de omstandigheden uniek waren. Een situatie waarin een demissionair kabinet moet samenwerken met een zo vijandig parlement (slechts 63 bevriende Kamerleden) is niet eerder voorgekomen. Bovendien ging het om een zaak die uit humanitair oogpunt urgentie had: de positie van uitgeprocedeerde asielzoekers die al jaren in onzekerheid leven. Ook dat lijkt mij uitzonderlijk.

Mag je aan die unieke situatie zo maar conclusies verbinden? Een vergelijking met 1868 gaat sowieso mank. Toen wilde het kabinet ondanks het opzeggen van het vertrouwen, gewoon blijven zitten. Nu hadden - zoals gebruikelijk - de bewindslieden nog voor de verkiezingsuitslag bekend was hun ontslag aangeboden. Zij wilden dus best weg, maar namen de zaken waar tot er opvolgers waren.

Ja, maar als een motie van afkeuring is aangenomen, moet de minister toch direct weg? Het vreemde is dat er nauwelijks 'echte' moties van afkeuring zijn aangenomen. In 1891 trad minister Dyserinck bijvoorbeeld af na aanneming van een motie van treurnis en in 1917 stapte minister Bosboom op na een motie waarvan de indiener had gezegd dat het niet als motie van afkeuring moest worden beschouwd. Bij Dyserinck duurde het bovendien twee weken voordat hij echt weg was als minister.

Verwezen wordt ook naar 1994. Toen stapten immers de demissionaire ministers Hirsch Ballin en Van Thijn wel op na een debat over het IRT. In de Kamer was toen ernstige kritiek geuit op de wijze waarop beide bewindspersonen waren omgegaan met aanbevelingen van een commissie-Wieringa die aansturing van het IRT onder de loep had genomen. Het betrof - anders dan nu het asielbeleid - een geïsoleerd dossier, waarvoor deze twee ministers in het bijzonder verantwoordelijk waren. Er werd een motie-Dijkstal aangenomen waarin stond dat de beide bewindslieden inrichting en aansturing van nieuw te vormen rechercheteams moesten overlaten aan hun opvolgers.

Hirsch Ballin vroeg na aanneming van de motie omzetting van zijn ontslagaanvrage in daadwerkelijk ontslag. Dat was echter zijn eigen beslissing; hij was daartoe niet door de Tweede Kamer gedwongen en hij had kunnen aanblijven. Zo oordeelde ook Van Thijn. Die vermeldt in zijn boek 'Retour Den Haag' dat hij de motie-Dijkstal als een symbolische motie beschouwde ("Wij zijn immers al demissionair. Ik kan moeilijk dubbel aftreden."). Van Thijn was niet van plan op te stappen. Dat hij dat uiteindelijk - een dag na Hirsch Ballin - toch deed, was omdat zijn CDA-collega's in het kabinet het niet te verdedigen vonden dat alleen Hirsch Ballin wegging.

En wat zei GPV-fractievoorzitter Schutte in 1994 in dat debat? "(...) nu de ministers hun ontslag al hebben aangeboden, zou zo'n stap [het indienen van een motie van afkeuring, bvdb] wel het karakter van een slag in de lucht hebben." Nu staatsrechtelijk volkomen logisch, toen een slag in de lucht? Wil de ware staatsrechtgeleerde opstaan.

De Tweede Kamer was in het asieldebat gerechtigd via een motie aan te dringen op een beleidswijziging en dat had urgentie. Vanuit het oogpunt van de Kamermeerderheid was die wens zeker te verdedigen. Dat vragen aan een kabinet dat niet meer het machtswoord kon uitspreken, was niettemin op het randje (voor wat de VVD-ministers betrof, was het feitelijk het vragen om het plegen van kiezersbedrog) en het leidde tot een gecompliceerde situatie. Mijns inziens zou zelfs een zuiverder - maar ook louter theoretische - oplossing zijn geweest als de nieuwe meerderheid terstond zelf een kabinet had gevormd om die moties uit te voeren. Dat was onmogelijk en ook aan andere oplossingen kleefden bezwaren. Dat leidde tot een inderdaad gekunstelde uitkomst.

Geconcludeerd kan echter worden dat de Kamer heeft berust in de gekozen oplossing en dat is te billijken. De motie wordt uitgevoerd en minister Verdonk heeft haar portefeuille deels verloren. Dat met die afloop de sinds 1868 geldende vertrouwensregel ondergraven is, lijkt mij een nogal overtrokken conclusie. Daar waren de omstandigheden toch echt te bijzonder voor.