De actie is aangevangen - Middernacht-Javatijd 20 juli (1947)

Maakte Nederland via de motie-Romme/Van der Goes van Naters moeilijkheden over de uitleg van de overeenkomst van Linggadjati, de uitvoering stuitte vooral bij de Republikeinse achterban op verzet. In de praktijk konden de jonge Republikeinen het nauwelijks opbrengen nog gedurende een overgangstijd, de Nederlandse souvereiniteit over het eigen, nationaalverworven territoir te aanvaarden. Zou deze dan wel ooit worden overgedragen? Van een werkelijke wapenstilstand was dan ook nimmer sprake.

Dat leidde tot de eerste 'politionele actie' van 20 juli 1947, door de RK-minister-president Beel voor de radio toegelicht en in de Tweede Kamer verdedigd. De actie was beperkt van opzet, bedoeld om lucht te scheppen voor de steden, waarvoor Nederland nog de verantwoordelijkheid droeg. Omverwerping van de Republiek was niet het oogmerk. Doch toen de eerste doelen waren bereikt, stelde de Nederlands-Indische landvoogd dr. Van Mook voor, de actie uit te breiden tot de Republikeinse hoofdstad.

Dit voorstel leidde in Nederland bijna tot een kabinetscrisis, aangezien de socialistische ministers zich ertegen verzetten. Een Australische resolutie, door de Veiligheidsraad op 1 augustus 1947 aanvaard, voorkwam het een én het ander.

'Dr. Beel was geen brilliant redenaar', schreef Stempels later, 'wat hij deed, maakte nooit de indruk het resultaat van een geniale improvisatie te zijn. Hij had een schema en daar hield hij zich aan. Een deugd, die, als elke deugd, ook schaduwzijden heeft.

1.

Handelingen Tweede Kamer, 23 juli 1947

De heer Beel, Minister-President: De ontwikkeling der gebeurtenissen in Indonesië heeft mij toch tot mijn leedwezen genoopt, U te verzoeken, Mijnheer de Voorzitter, om de Kamer in afwijking der reeds vastgestelde regeling harer werkzaamheden opnieuw bijeen te roepen teneinde de Regering wederom de gelegenheid te schenken een verklaring af te leggen.

De 10e Juli j.l. mocht ik in deze Kamer verklaren dat de Regering bereid was in het schrijven van de Eerste Minister van de Republiek Indonesia van 8 Juli d.a.v. waarin het republikeins antwoord op de brief van de Lt. Gouverneur-Generaal van 29 Juni nader werd gepreciseerd, de mogelijkheid ener gunstige wending te zien.

Dit schrijven van 8 Juli was weliswaar niet in alle opzichten bevredigend, doch scheen tot de uitvoering van de overeenkomst van Linggadjati te kunnen medewerken mits ons nog op zeer korte termijn op enige essentiële punten voldoening werd verschaft, mits het ten spoedigste in daden zou worden omgezet, en tenslotte onder het voorbehoud dat vóór alles, en onder méér, de onmiddellijke staking van vijandelijkheden met inbegrip van de vernielingen en de vijandige propaganda was te verwachten.

Bij diezelfde gelegenheid, Mijnheer de Voorzitter, moest ik verklaren, dat de Regering, indien het uiteindelijk onmogelijk zou blijken, langs de weg van onderhandelingen tot een goede uitvoering van Linggadjati te geraken, op grond van Haar alomvattende verantwoordelijkheid noodgedwongen als uiterste maatregel Haar militair machtsmiddel, zij het zo beperkt mogelijk, zou hebben aan te wenden. Doelstelling van zodanige militaire actie van politionele aard zou zijn: het opheffen van het onhoudbaar karakter van de noodtoestand het scheppen van betere voorwaarden ter uitvoering van het staatkundig beginselprogram van Linggadjati, desnoods zonder medewerking van de wederpartij bij die overeenkomst, en het streven daarna, samenwerking ook met de Republiek in federatief verband mogelijk te maken.

Deze Kamer, Mijnheer de Voorzitter, heeft na de volgende dag gehouden beraadslaging ter zake van de toen aan de orde zijnde Regeringsverklaring geen uitspraak gedaan; evenmin is enige uitspraak van Haar gevraagd; het beleid der Regering werd blijkbaar door de meerderheid der Kamer aanvaard.

In aansluiting, Mijnheer de Voorzitter, eensdeels op het genoemde schrijven van de Eerste Minister der Republiek, gedateerd 8 Juli, anderdeels op de Regeringsverklaring van twee dagen later, heeft zich wederom enige correspondentie tussen de Lt. Gouverneur-Generaal en de Regering der Republiek ontwikkeld. Op de 15e Juli heeft de Lt. GouverneurGeneraal aan de Minister-President van de Republiek Indonesia een tweetal documenten voorgelegd. Het eerste betrof de ten behoeve van de binnenlandse veiligheid op te richten gendarmerie, thans 'bijzondere politie' genoemd, het tweede de staking der vijandelijkheden. Ene samenvatting dezer documenten is de Kamer onder nr. 475 als stuk 13 aangeboden.

Het antwoord van de Republiek op deze beide documenten onder hetzelfde nummer gedrukt, valt weer terug in de onaanvaardbare stijl der stukken, ontvangen vóór de 8e Juli. Het lijkt, oppervlakkig beschouwd, niet onredelijk, doch blijkt nauwkeuriger beschouwd, in wezen onbevredigend en met letter en geest van het bij Linggadjati overeengekomene in strijd.

Het Nederlandse voorstel erkende, dat de zorg voor orde en veiligheid in eerste instantiede taak van de politie der staten is, het republikeinse tegenvoorstel wenst deze als de uitsluitende taak van de politie der verschillende deelstaten te zien. De Republiek toch eist enerzijds, de onze troepen geen enkele taak meer zullen mogen vervullen op het gebied van de handhaving der orde en veiligheid en wijst anderzijds af, dat naast de politie der deelstaten in geval van noodzaak terwijl zij zelf nu reeds blijk geeft de orde niet te kunnen handhaven een gemengd politiecorps zou optreden.

Zó zou thans zoals ik reeds aanstipte aan de Nederlandse Regering en na de overgangstijd aan de Federale Regering elke mogelijkheid ontnomen worden in feite verantwoordelijkheid voor orde en veiligheid te dragen. Hierin openbaart zich de diepere oorzaak van het geschil: de Nederlandse Regering heeft te handhaven de Haar gedurende de overgangstijd toekomende en bij Linggadjati bevestigde souvereiniteit; de republikeinse regering eist nu al een souvereiniteit op, welke na afloop van die overgangstijd is toegedacht nietaan haar, doch aan de nog te vormen Regering der Verenigde Staten van Indonesië. Het optreden der Republiek op het gebied der buitenlandse betrekkingen geeft van dit verkeerde inzicht ruimschoots blijk.

Wat de tweede Nederlandse eis tot staking der vijandelijkheden aangaat, het document op 15 Juli door de Lt.Gouverneur-Generaal aangeboden bevatte ene nauwkeurige precisering van die eis. Het hield in in de regeringsverklaring was dit immers 'onmiddellijk' verlangd dat door het hoogste burgerlijke en militaire gezag in de Republiek uiterlijk 16 Juli middernacht openlijk en uitdrukkelijk de algemene staking van alle vijandelijkheden zou worden bevolen, dat uiterlijk 17 Juli aan de vijandige propaganda een einde zou dienen te zijn gemaakt en de publiciteit op het herstel en de bevordering van vertrouwen en samenwerking met de Nederlanders gericht zou dienen te worden, en dat uiterlijk op 19 Juli 18.00 uur met de terugtrekking van alle republikeinse militaire organisaties tot minstens 10 km van de demarcatielijn en met de overdracht van de zorg voor orde en veiligheid aan de politie een feitelijk begin zou dienen te zijn gemaakt.

Deze eis tot bevel van staking der vijandelijkheden en tot terugtrekking der republikeinse troepen tot minstens 10 km van de demarcatielijn, waarlang zij de door ons bezette gebieden belaagden, was volkomen redelijk, Mijnheer de Voorzitter, zowel ten bewijze dat de samenwerking, bij Linggadjati overeengekomen, inderdaad werd gewild als tot opheldering van de militaire situatie en ten bate van de rust der bevolking.

Ondanks immers het 14 October 1946 gesloten bestand en de 25 Maart 1947 ondertekende overeenkomst van Linggadjati moest de Lt.Gouverneur-Generaal de 17e Juli j.l. berichten, dat het aantal gerapporteerde schendingen van het bestand, waarvan de Republiek door ons sedert de dag der ondertekening van de overeenkomst werd beticht, de duizend had overschreden, terwijl de Republiek zich slechts over enkele tientallen gevallen had beklaagd; de Landvoogd vermeldde hierbij, dat onzerzijds na onderzoek steeds uitvoerig werd geantwoord, terwijl door de Republiek nog nimmer op één enkel bezwaar van onze zijde was gereageerd.

Volgens alhier beschikbare gegevens, Mijnheer de Voorzitter, bedroeg b.v. het aantal gemelde bestandsschendingen van min of meer ernstige aard tussen 25 Maart en 15 Juni 1947 681, aldus onderverdeeld:

Beschietingen van Nederlandse patrouilles en stellingen 317

Vernieling en ondermijning van bruggen en andere objecten, aanleg van mijnenvelden 142

Aanleg van versterkingen binnen en langs de demarcatielijn, het aanleggen van hindernissen, opbreken van wegen 156

Ontvoeringen, moord, rampokpartijen en brandstichtingen met betrekking tot de bevolking 52

Infiltratiepogingen naar de Malinogebieden 14

Als voorbeeld van de vijandige propaganda moge ik herinneren aan de radiorede, op de 26ste December 1946 dus tijdens het bestand en na de parafering van Linggadjati door de opperbevelebber van het republikeinse leger Generaal Soedirman, gehouden, waarin hij de republikeinse strijdorganisaties onder meer aldus opwekte:

'Zet de strijd onverminderd voort. Versterkt onze eenheid, stuurt zoveel mogelijk wapens en andere benodigdheden naar het gevechtsfront. Strijdt georganiseerd. De strijdgeest in voorste lijn en achter het front behoren en moeten wij wederom opwekken.'

Het is deze mentaliteit, welke bleef heersen en ten gevolge heeft gehad, dat aan onze zijde gedurende het bestand van 14 October 1946 tot 18 Juli 1947 de dood van 158 militairen is te betreuren: gesneuveld of aan bekomen verwondigen overleden.

Het situatierapport, lopende over de periode van 5 tot 12 Juli j.l., eindigde met deze algemene beschouwing:

'Er viel van republikeinse zijde een verhoogde agressiviteit op alle fronten waar te nemen. Er werd een begin gemaakt met het uitvoeren van de vernieling van kunstwerken. Subversieve acties op Nederlands beschermd gebied vermeerderden. De bevolking werd ten behoeve van verschroeide aarde ingeschakeld.' Dit zijn maar enige voorbeelden, Mijnheer de Voorzitter, ter illustratie van de redelijkheid der eisen, door de Landvoogd 15 Juli gesteld. Ook aan deze eisen werd in het antwoord van de Republiek van 17 Juli niet voldaan.

Na ontvangst van dit antwoord gaven nog diezelfde dag de Luitenant-Gouverneur-Generaal en de Commissie-Generaal eenstemmig als hun mening te kennen, dat geen andere weg meer mogelijk was dan een politionele actie met militaire middelen.

De Nederlandse Regering heeft na nogmaals met de diepste ernst het gewicht en de draagwijdte van de toepassing van een dergelijke actie in alle opzichten te hebben overwogen en te hebben nagegaan, of inderdaad tot die slotsom moest worden gekomen, dat Haar alleen dat 'uiterste middel' was overgebleven besloten met de conclusie van Luitenant-Gouverneur-Generaal en Commissie-Generaal in te stemmen. Zij heeft de 18e Juli de Landvoogd gemachtigd tot een zodanige actie over te gaan, zo beperkt mogelijk en met de opzet, welke ik zo even uit mijn verklaring van de 10e Juli heb herhaald.

De 20e Juli heeft de Landvoogd schriftelijk ook dit stuk is U aangeboden, Mijnheer de Voorzitter, doen weten en verklaard, dat, en waarom, de Nederlandse Regering tot haar leedwezen zich genoodzaakt zag de republikeinse regering mede te delen, dat zij zich ten opzichte van de republiek niet meer gebonden kan achten noch aan het bestand, noch aan de overeenkomst, dat Zij de verantwoordelijkheid niet langer kon blijven dragen van een toestand, die op zichzelf onhoudbaar was en die tot een steeds verdere verzwakking moest leiden van de economische en geestelijke grondslagen waarop alleen Vereniade Staten van Indonesië en Nederlands-Indonesische Unie snel en deugdelijk kunnen worden gebouwd, en dat Zij derhalve Haar vrijheid van handelen moest hernemen.

En Zij zal, schreef de Landvoogd ten slotte, Mijnheer de Voorzitter, zodanige maatregelen treffen, dat aan die onhoudbare toestand een einde wordt gemaakt, en die voorwaarden van orde en veiligheid worden geschapen, welke de uitvoering van het programma, vervat in de overeenkomst van Linggadjati, mogelijk moge maken.

De actie is aangevangen: te middernacht van 20 op 21 Juli, Javatijd.

Handelingen TK 1946-1947, p. 2106 e.v.

 

Meer over

Literatuur

    • A. 
      Stempels: De parlementaire geschiedenis van het Indonesische vraagstuk. Amsterdam 1950 p. 251.
    • J. 
      • A. 
        van Doorn en W. J. Hendrix: Ontsporing van geweld, Rotterdam 1970.42(1).
    • W. 
      Drees: Zestig jaar levenservaring. Amsterdam 1962.
    • C. 
      Smit: Het dagboek van Schermerhorn. Groningen 1970.