Procedure van benoeming tot volksvertegenwoordiger

Als de stemmen zijn geteld en de zetels over de lijsten zijn verdeeld, worden de kandidaten op de hoogte gesteld van hun benoeming. Nadat de kandidaat zijn benoeming aanvaardt, wordt er een onderzoek ingesteld naar de geloofsbrieven van de kandidaat. Wanneer er geen bezwaren zijn tegen het lidmaatschap van de kandidaat, wordt hij na aflegging van de eed beëdigd.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Benoeming

De benoemde heeft tien dagen de tijd om te beslissen over de aanvaarding van de benoeming. Indien de gekozen kandidaat, of plaatsvervanger de benoeming aanneemt, doet hij daarvan mededeling aan de voorzitter van het vertegenwoordigend orgaan (zoals de Eerste en Tweede Kamer, gemeenteraad etc.). Deze doet van de benoeming mededeling aan de voorzitter van het centraal stembureau.

Bij het niet aannemen van de benoeming dient de kandidaat dit te melden aan de voorzitter van het centraal stembureau, die dit weer doorgeeft aan de voorzitter van het vertegenwoordigd orgaan. Het staat de kandidaat vrij terug te komen op een aanvaarding van de benoeming. Dit is mogelijk tot het moment dat onherroepelijk is besloten over de toelating van de benoemde door het vertegenwoordigend orgaan.

In de praktijk komt het nogal eens voor dat een benoeming wordt beïnvloed door allerlei partijvoorschriften. Verschillende partijen kennen afspraken die tot gevolg hebben dat benoemde kandidaten een benoeming wel of niet aanvaarden. Zo leggen kandidaten van bijvoorbeeld het CDA een schriftelijke bereidverklaring af om onder bepaalde omstandigheden af te zien van de benoeming tot volksvertegenwoordiger.

Bij de PvdA verplichten de kandidaten zich schriftelijk dat zij van benoeming tot Tweede Kamerlid afzien indien ze worden gekozen op de laatste restzetel die de partij toevalt; deze plaats is bestemd voor de lijsttrekker. Er zijn echter ook partijen, nl. D66 en het GPV, die de benoemde volksvertegenwoordiger in het algemeen verplichten om bij een benoeming de zetel te aanvaarden.

In het verleden is het voorgekomen dat kandidaten zich niet aan de partijverplichtingen hielden door toch een benoeming te aanvaarden. Juridisch-kiesrechtelijk staan deze kandidaten in hun gelijk. Bij wijzigingen van de Kieswet, zoals in 1989, kwamen deze partijverplichtingen uitvoerig aan de orde. Er is zelfs aan de orde geweest om er door middel van belemmeringen een eind aan te maken.

2.

Onderzoek naar geloofsbrieven

Uiterlijk op de derde dag na de vaststelling van de verkiezingsuitslag wordt de gekozen kandidaat schriftelijk in kennis gesteld van zijn benoeming. Tegelijkertijd vindt kennisgeving plaats aan het vertegenwoordigend orgaan, waarmee de kandidaat zich verplicht tot het overhandigen van zijn geloofsbrieven.

Het is het vertegenwoordigende orgaan dat de geloofsbrieven van de eigen nieuw benoemde leden toetst. Volgens artikel 2, derde lid, van het reglement van orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal beslist de Kamer in oude samenstelling over de toelating van leden die benoemd zijn verklaard na periodieke aftreding of ontbinding.

Een geloofsbrief bestaat uit de schriftelijke bewijsstukken die een afgevaardigde bij een vertegenwoordigend lichaam moet overleggen, waaruit moet blijken dat hij op wettige wijze gekozen is en dat er tegen zijn verkiezingen geen bezwaren zijn. De toetsing die plaatsvindt, is een toetsing van de eisen van het passief kiesrecht in ruime zin, te weten leeftijd, nationaliteit, ingezetenschap, niet-ontzetting uit het kiesrecht en 'incompatibiliteiten'.

Dit laatste houdt in dat de kandidaat geen met het lidmaatschap onverenigbare betrekkingen vervult, zoals lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman, commissaris van de Koning, lid van Gedeputeerde Staten, griffier, wethouder of burgemeester.

Uitdrukkelijk mogen bij het onderzoek naar de geloofsbrieven geen andere aspecten, of de persoon zelf een rol spelen. Ook de geldigheid van de kandidatenlijsten, en lijstverbindingen worden hierbij niet getoetst. Deze zijn in een eerder stadium van het verkiezingsproces onherroepelijk vast komen te staan.

Worden bij het onderzoek naar de geloofsbrieven onregelmatigheden geconstateerd, dan kan de commissie voor de geloofsbrieven van het betrokken vertegenwoordigend orgaan een nader onderzoek instellen. Het resultaat van dit onderzoek kan er toe leiden dat de verkiezingen geheel of in onderdelen moet worden overgedaan. Dit is echter een uitzonderlijk geval.

Uiterlijk 27 dagen na de stemming dient het besluit te worden genomen of de gekozene wordt toegelaten. Tegen een besluit tot niet-toelaten kan in een verkorte procedure beroep worden aangetekend bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

Een onderzoek naar de geloofsbrieven is niet te vergelijken met een strafrechtelijk onderzoek. Alleen al het feit dat de betrokken volksvertegenwoordigers mogelijk een belang hebben en de beschikbare tijd kort is, maken de beoordeling marginaal en kort.

Het voordeel van het toetsen van de geloofsbrieven na de verkiezing is dat niet onnodig veel kandidaten op de vereisten van het passief kiesrecht hoeven te worden gecontroleerd. Het nadeel is dat de kiezers kunnen worden misleid, als blijkt dat een kandidaat achteraf de toetsing niet doorstaat. Overigens vindt in verschillende Europese landen de toetsing van de eisen van passief kiesrecht niet plaats na de verkiezingen, maar reeds bij de kandidaatstelling.

3.

Voorbeeld van een eed van gelofte

Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal,

Artikel 2

Bij de aanvaarding van hun ambt leggen de leden der Staten-Generaal in de vergadering van de kamer waarin zij zijn verkozen, de volgende eden of verklaringen en beloften af:

 

"Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.

Ik zweer (verklaar en beloof), dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.

Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Grondwet.

Ik zweer (beloof) dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig!"

(Dat verklaar en beloof ik!").

4.

Benoeming niet aanvaard

Een gekozene is niet verplicht zijn zetel in te nemen en het is meer dan eens voorgekomen dat iemand afzag van de Tweede Kamerzetel. In de regel ging het na verkiezingen om één of twee personen, die daar meestal om persoonlijke redenen van af zagen.


Meer over