Kabinetscrisis 1999: de Nacht van Wiegel

In de nacht van 18 op 19 mei 1999 kreeg een wetsvoorstel tot invoering van de mogelijkheid voor een correctief referendum in de Eerste Kamer niet de vereiste tweederde meerderheid. Daarop bood het kabinet in de loop van 19 mei zijn ontslag aan. Vooral D66 was zeer ontstemd en teleurgesteld over de verwerping, omdat zij het referendum als één van haar 'kroonjuwelen' beschouwde.

Nadat D66 aanvankelijk weinig voelde voor een lijmpoging, werd na enige tijd toch een compromis bereikt na een geslaagde bemiddelingspoging door de vicepresident van de Raad van State, Tjeenk Willink.

Dat compromis hield in dat er nog tijdens de periode van het tweede kabinet-Kok een Tijdelijke Referendumwet zou komen, waarin een consultatief correctief referendum zou worden geregeld. Het kabinet zou bovendien het Grondwetsvoorstel opnieuw (in eerste lezing) indienen.

Het voorstel

In het regeerakkoord van het eerste kabinet-Kok was afgesproken dat er een correctief wetgevingsreferendum zou komen. Daardoor moeten burgers de mogelijkheid krijgen om een door Tweede en Eerste Kamer aanvaard wetsvoorstel alsnog af te wijzen.

In februari 1996 diende het kabinet het betreffende wetsvoorstel in. Daarbij werd uitgegaan van eerdere voorstellen van een Staatscommissie-Biesheuvel uit 1985. Burgers moeten hierdoor tot drie weken na aanvaarding van een wetsvoorstel de tijd krijgen om een 'inleidend verzoek' te doen voor het houden van een referendum. Daarvoor zijn de handtekeningen van 40.000 kiesgerechtigden nodig.

Als met succes zo'n inleidend verzoek is gedaan, moeten binnen zes weken de handtekeningen van 600.000 kiezers worden verzameld. Daarna kan een datum worden vastgesteld voor het referendum. Het wetsvoorstel kan dan alsnog met een gewone meerderheid worden verworpen, mits de meerderheid bestaat uit minimaal 30 procent van de kiesgerechtigden. Sommige onderwerpen, zoals wetgeving over het Koninklijk Huis, ruimtelijke plannen en begrotingen, worden uitgesloten van het correctief referendum.

Eerste lezing

De Tweede Kamer nam het voorstel in eerste lezing op 26 juni 1997 aan. Tegen stemden de fracties van CDA, SGP, GPV, RPF en Unie 55+, alsmede het lid Hendriks (ex-AOV).

De Eerste Kamer nam het voorstel op 3 maart 1998 met 40 tegen 27 stemmen aan. Behalve de fracties van CDA, SGP, GPV en RPF, stemden ook vijf VVD-senatoren tegen. Dat waren Wiegel, Van Eekelen, Van Graafeiland, Heijne Makkreel en Verbeek.

Tweede lezing in de Tweede Kamer

Na de Tweede Kamerverkiezingen van mei 1998 diende het tweede kabinet-Kok op 14 september van dat jaar het voorstel tot Grondwetsherziening in tweede lezing in. De Tweede Kamer nam het op 11 februari 1999 aan, waarbij CDA, SGP, GPV en RPF tegenstemden. De vereiste tweederde meerderheid werd ruim gehaald.

Nacht van Wiegel

De Eerste Kamer begon op 18 mei 1999 het debat over het referendumvoorstel in de wetenschap dat vijf Eerste Kamerleden van de VVD bij de eerste lezing tegen waren geweest. VVD, PvdA, GroenLinks, D66, SP en Bierman hadden gezamenlijk 50 zetels, precies de tweederde meerderheid. Aangezien de stem van Batenburg (ex-AOV) vóór het voorstel onzeker was, mochten er geen VVD'ers tegenstemmen, wilde het voorstel erdoor komen.

Het voorstel werd verdedigd door minister Peper van Binnenlandse Zaken. Namens de VVD-fractie voerde oud-minister Wiegel het woord. Hij kwam met een aantal bezwaren tegen het correctief referendum, waarvan aantasting van de vertegenwoordigende democratie de voornaamste was.

Omdat lang onzeker bleef wie er van de VVD vóór zouden stemmen, trachtten ook VVD-leider Dijkstal en vicepremier Jorritsma tijdens schorsing van het debat druk uit te oefenen op de geestverwanten in de Eerste Kamerfractie.

Na de tweede termijn van de behandeling nam ook minister-president Kok deel aan het debat. Hij sprak echter niet het onaanvaardbaar uit, maar wees de Eerste Kamerleden wel op de mogelijke consequenties van verwerping van het voorstel.

Om 01.30 uur, na een zestien uur durend debat, volgde de ontknoping toen VVD-fractievoorzitter Ginjaar meedeelde dat het voorstel voor één lid onacceptabel was. Senator Batenburg deelde bovendien mee dat hij, anders dan bij de eerste lezing, tegen zou stemmen. Hieruit kon worden afgeleid dat het voorstel slechts 49 stemmen zou krijgen; één te weinig voor de tweederde meerderheid. De enige VVD-tegenstemmer bleek Hans Wiegel te zijn.

De nacht van Wiegel werd ook in het Jaarboek Parlementaire geschiedenis 1999 beschreven door Johan van Merriënboer in het hoofdstuk ' Carambole! De nacht van Wiegel in de parlementaire geschiedenis'.

Lijmpoging

De verwerping van het grondwetsvoorstel was voor alle bewindslieden reden om hun ontslag aan te bieden aan de koningin, omdat een essentieel onderdeel van het regeerakkoord betrof. Zij namen dit besluit op 19 mei en premier Kok lichtte dat daarna toe in de Tweede Kamer. Voor D66 was de verwerping van het referendumvoorstel een kabinetscrisis waard, hoewel er geen conflict met de Tweede Kamer was.

Een dag later vonden de gebruikelijke consultaties plaats. PvdA en VVD stuurden aan op een lijmpoging, maar de PvdA wilde, anders dan de VVD, wel D66 in het kabinet houden. D66 was bereid om te spreken over herstel van de breuk, maar zag daartoe vooralsnog weinig mogelijkheden. Op 22 mei werd Tjeenk Willink aangewezen als informateur.

Op 1 juni bereikten de fractievoorzitters Melkert, Dijkstal en De Graaf overeenstemming over een nieuwe voorstel over het referendum. Er zou een wetsvoorstel over een Tijdelijke Referendumwet worden ingediend, die met een gewone meerderheid tot stand kon komen. Formeel ging het slechts om invoering van een raadgevend referendum: het laatste woord bleef bij de volksvertegenwoordiging. Het kabinet zou bovendien een nieuwe poging ondernemen om het correctief referendum grondwettelijk te regelen.

Op 8 juni was de crisis definitief opgelost en kwamen de ministers terug op hun ontslagaanvrage.

Andere problemen

Ongeveer gelijktijdig met het Eerste Kamerdebat over het referendum speelden nog twee zaken. In de Tweede Kamer was het debat aan de gang over de uitkomsten van de Bijlmerenquête begonnen, waarbij de positie van de ministers Borst en Jorritsma ter discussie stond. De verzekering van de andere coalitiepartijen dat het politieke leven van D66-minister Borst niet zou worden bedreigd, droeg bij aan het oplossen van de referendumcrisis.

Minister Apotheker was inmiddels wel in problemen gekomen bij het vinden van een oplossing voor de mestproblematiek in de varkenshouderij. Hij besloot op 7 juni af te treden, en werd vervangen door zijn partijgenoot Brinkhorst.

Tijdelijke referendumwet

Op 2 maart 2000 diende het kabinet de Tijdelijke Referendumwet (Trw) in. Deze moest de mogelijkheid van het houden van een raadgevend correctief referendum op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau regelen. De uitgangspunten ervan waren gelijk aan die van het verworpen Grondwetsvoorstel.

De Tweede Kamer nam dit voorstel op 6 februari 2001 aan, waarbij PvdA, VVD, D66, GroenLinks en SP voorstemden. De Eerste Kamer aanvaardde het wetsvoorstel op 4 september 2001, waarbij dezelfde fracties, en de Onafhankelijke Senaatsfractie, voorstemden. De VVD'er Ginjaar stemde als enige van de regeringsfracties tegen.

Vanaf 1 januari 2002 konden door provincies en gemeenten genomen besluiten en het merendeel van de aangenomen wetsvoorstellen door de burgers aan een referendum worden onderworpen. De Trw is vanaf 1 januari 2005 echter niet meer van kracht.


Meer over