Tweede Kamercommissie

De 150 Tweede Kamerleden doen hun werk vooral in commissies. Alle fracties hebben daarin naar evenredigheid vertegenwoordigers. Commissies hebben een eigen voorzitter, ondervoorzitter en secretaris (een plaatsvervangend griffier). De leden en plaatsvervangend leden worden door de Kamervoorzitter benoemd. Voor commissies zijn er ondersteunende ambtenaren die werken bij de zogenaamde Griffies commissies (zo is er een Griffie commissie internationaal).

In de Tweede Kamer zijn vergaderingen van commissies in principe openbaar.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Werkzaamheden commissies

Kamercommissies bespreken geregeld met één of meer ministers en/of staatssecretarissen over genomen besluiten en over voorgenomen plannen. De meest voorkomende vorm van mondeling overleg heet een algemeen overleg.

Daarnaast spelen zij een belangrijke rol in de voorbereiding van de plenaire behandeling van wetsvoorstellen (de bespreking van wetsvoorstellen in de voltallige Kamer). Daartoe kan een speciaal wetgevingsoverleg worden gehouden. Verder worden nota's in de commissies besproken.

Commissies beperken zich in hun werkzaamheden niet alleen tot overleg. Zij kunnen ook hoorzittingen houden en werkbezoeken afleggen om na te gaan hoe er ter plaatse tegen bepaalde plannen van het kabinet wordt aangekeken.

Daarnaast kunnen zij externe deskundigen inschakelen en zich laten voorlichten door colleges van advies. Ook kunnen de commissies aan de Kamer voorstellen om een bepaald beleidsonderdeel als groot project aan te wijzen. Een groot project is een project met grote financiële gevolgen, waarvoor alleen de staat verantwoordelijkheid draagt.

2.

Voorzitters en ondervoorzitters

Na het aantreden van een nieuwe Tweede Kamer worden nieuwe voorzitters en ondervoorzitters van de vaste Tweede Kamercommissies gekozen. Dat gebeurt overigens pas na de formatie van een nieuw kabinet. Daarbij speelt de grootte van fracties een belangrijke rol.

3.

Soorten commissies

De Tweede Kamer kent diverse commissies. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vaste commissies, algemene commissies, tijdelijke commissies, themacommissies en overige commissies. Daarnaast stelt de Kamer soms een speciale onderzoekscommissie (enquêtecommissie) in. De meeste commissies hebben 25 leden en evenveel plaatsvervangende leden.

Vaste commissies

Er is voor elk ministerie een vaste commissie die onderwerpen op het gebied van dat ministerie behandelt, behalve voor dat van de minister-president, het ministerie van Algemene Zaken. Daarnaast is er een vaste commissie voor Koninkrijksrelaties en voor Europese zaken.

Algemene commissies

Een algemene commissie behandelt een onderwerp dat de Kamer van groot belang vindt en waar meerdere ministeries bij betrokken zijn. Er zijn nu algemene commissies voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en voor Wonen en Rijksdienst.

Presidium

Het Presidium is het dagelijkse bestuur van de Tweede Kamer. Het bestaat uit de Kamervoorzitter en de ondervoorzitters.

Tijdelijke commissies

Tijdelijke commissies onderscheiden zich van algemene commissies doordat ze een nauwkeurig omschreven opdracht hebben. Zodra die opdracht is uitgevoerd, dat wil zeggen zodra de commissie rapport heeft uitgebracht en dit behandeld is in de Tweede Kamer, houdt de commissie op te bestaan.

Themacommissies

Themacommissies houden zich bezig met onderwerpen van maatschappelijk belang die niet specifiek één ministerie aangaan. Door een Themacommissie kan los van directe politeke besluitvorming en zonder dat er een regeringsinitiatief is, van gedachten worden gewisseld over belangrijke maatschappelijke vraagstukken.

Er zijn tot nu toe themacommissies geweest voor:

Het instellen van themacommissies is mogelijk sinds april 2003. Na 2012 zijn dergelijke commissies niet meer ingesteld.

Enquête- en onderzoekscommissies

Een bijzonder soort tijdelijke commissies zijn enquêtecommissies. Ze worden door de Tweede Kamer ingesteld als onderzoek naar een bepaald onderwerp wenselijk is, en daarbij gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden op grond van de Wet op de Parlementaire Enquête. Zo hebben Enquêtecommissies de bevoegdheid om getuigen onder ede te verhoren en zijn getuigen verplicht om te verschijnen.

Overige commissies

Ten slotte zijn er enige commissies die wat moeilijker onder één noemer zijn te brengen. Voor het gemak noemen we ze overige commissies. Voorbeelden zijn: de Commissie voor de Verzoekschriften, de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten en de Commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven. Tot 2016 bestond er verder een Commissie voor de Rijksuitgaven, maar die is opgegaan in de vaste commissie voor Financiën.

Delegaties en contactgroepen

Een aantal Tweede Kamerleden maakt ook deel uit van delegaties naar vergaderingen van internationale organisaties en van contactgroepen met omliggende landen.

4.

Historische ontwikkeling

De Tweede Kamer kent al lang commissies die de behandeling van wetsvoorstellen voorbereiden, waarin Kamerleden overleg voeren met bewindslieden en waarin regeringsstukken worden besproken. Het commissiestelsel kwam in 1888 enigszins van de grond, maar het duurde tot 1953 totdat vaste en bijzondere commissies een centrale rol kregen bij de voorbereiding van werkzaamheden. In 1993 werd het commissiestelsel hervormd, waarbij het aantal commissies drastisch werd verminderd.

Van afdelingen naar commissies

Lange tijd werden veel werkzaamheden van de Tweede Kamer verricht in de Afdelingen. De Kamer verdeelde zich om de paar maanden via loting in vijf Afdelingen. Alle leden konden zo - in principe - deelnemen aan de voorbereiding van behandeling van wetsvoorstellen. De Afdelingen benoemden voor ieder voorstel een rapporteur en de vijf rapporteurs vormden een commissie, die verslag uitbracht aan de Tweede Kamer.

Sinds omstreeks 1930 werden de Afdelingen voorgezeten door de fractievoorzitters van de grotere fracties. Samen vormden zij de Centrale Afdeling (onder voorzitterschap van de Kamervoorzitter), die de werkzaamheden van de Kamer organiseerde. In 1966 kwam hiervoor het Presidium in de plaats.

Later werden meer technische onderwerpen opgedragen aan bijzondere commissies en aan commissies van voorbereiding. Zodoende kon de voorbereiding meer worden overgelaten aan Kamerleden met specialistische kennis van het onderwerp. Verder kwamen er na 1918 commissies die de behandeling van de begrotingen voorbereidden.

Voor enkele specifieke onderwerpen, zoals Buitenlandse Zaken (in 1919), Rijksuitgaven (1923), Privaat- en Strafrecht (1925) en Handelspolitiek (1932), werden eveneens aparte commissies ingesteld. Daarin kon overleg plaatsvinden tussen Kamer en minister. De commissie voor de Rijksuitgaven, de enige van deze commissie die nog bestaat, heeft een speciale taak bij het toezicht op de uitvoering van de rijksbegroting.

Commissiestelsel 1953-1994

Na 1945 nam het aantal commissies allengs toe. Zo kwamen er commissies voor Indonesische aangelegenheden, voor belastingen en voor de middenstand. In 1953 werd een nieuw stelsel van commissies ingevoerd, waarbij er voor ieder departement (uitgezonderd Algemene Zaken) een vaste commissie kwam, en daarnaast vaste commissies voor specifieke onderwerpen.

Voor veel (complexe) wetsvoorstellen of voor bijvoorbeeld regeringsnota's werd een bijzondere commissie ingesteld. Jaarlijks bestonden er naast de circa dertig vaste commissies een veertigtal bijzondere commissies.

Commissiestelsel na 1994

Met het gewijzigde commissiestelsel verdwenen het mondeling overleg en de sinds de jaren zestig bestaande Uitgebreide (Openbare) Commissievergaderingen, waarin de commissies belangrijke besluiten konden nemen. Daarvoor in de plaats kwamen er drie vormen van commissieoverleg: algemeen overleg, wetgevingsoverleg en nota-overleg.


Meer over