Home > Kiezers > Kiesstelsel > Districtenstelsel > Negentiende-eeuws districtenstelsel in Nederland

Negentiende-eeuws districtenstelsel in Nederland

Vanaf 1848 werden de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks gekozen via een meerderheidsstelsel . In de negentiende eeuw was Nederland nog in aparte kiesdistricten verdeeld. De precieze indeling van de districten is door de jaren heen meermaals veranderd. Uitgangspunt was dat er op iedere 45.000 inwoners één afgevaardigde in de Tweede Kamer zou zijn.

Om als kandidaat gekozen te worden was een absolute meerderheid vereist. Soms werd in de eerste verkiezingsronde geen absolute meerderheid gehaald. In dat geval werd een tweede verkiezingsronde gehouden tussen de twee kandidaten die bij de eerste ronde de meeste stemmen hadden gehaald. Het kwam ook regelmatig voor dat er maar één kandidaat was, die dan zonder verkiezing was gekozen.

Het systeem werd om meerdere redenen bekritiseerd. Allereerst waren er bezwaren tegen de indeling van de kiesdistricten. Daarnaast waren er bedenkingen bij het kiesstelsel omdat een absolute meerderheid van stemmen vereist was. Dat zorgde er onder andere voor dat veel kiezers in de tweede ronde op een kandidaat moesten stemmen die niet hun eigenlijke voorkeur had en dat sommige kandidaten bij voorbaat volstrekt kansloos waren.

Aantallen Kamerleden

In 1849 waren er 68 Kamerleden. Vanwege de toename van het aantal kiezers moest om de vijf jaar de districtenindeling worden herzien en het aantal Kamerleden worden uitgebreid. Dit gebeurde voor het eerst in 1859 en daarna in 1864, 1869 en 1878. Daarna kon hierover geen overeenstemming meer worden bereikt en bleven indeling en zeteltal tot de grondwetsherziening van 1887 gehandhaafd.

 

Jaar

1849

1859

1864

1869

1878

1888

Kamerleden

68

72

75

80

86

100

De kiesdistricten

Er bestonden tussen 1849 en 1888 enkelvoudige, dubbele en meervoudige kiesdistricten. Dat hield in dat een district één, twee of meer afgevaardigden kon hebben, die voor vier jaar (maar niet gelijktijdig) werden gekozen. Dubbele kiesdistricten kwamen veruit het meest voor. Daar trad elke twee jaar één van de twee Kamerleden af. Amsterdam en Rotterdam waren meervoudige districten (en vanaf 1869 ook Sneek). Onder meer de stad Groningen was een enkelvoudig kiesdistrict.

In 1888 verdwenen de dubbele districten en bleven alleen de grote steden meervoudige districten (Amsterdam had bijvoorbeeld negen afgevaardigden). De andere districten vaardigden toen één lid af.

Pas in 1896 werden ook de steden in afzonderlijke districten verdeeld en kende ons land 100 districten, net zo veel als er Kamerzetels waren.

 

jaar

districten

enkelvoudig

dubbel

meervoudig

1850

38

10

27

1

1859

38

5

31

2

1864

39

4

33

2

1869

41

5

33

3

1878

43

6

34

3

1887

84

79

2

3

1896

100

100

   

Kiesrechtgeografie

De indeling in districten was (en is) een politiek gevoelig onderwerp, want de demografische samenstelling had grote invloed op de 'politieke kleur' van het district. Er werd wel gesproken van kiesrechtgeografie of 'Gerrymandering'. Dit laatste verwees naar de Amerikaanse politicus Elbridge Gerry, die een meester was in het zodanig indelen van districten, dat het voor zijn partij het gunstigst was. De grenzen van districten kronkelden als een salamander.

In Nederland deed zich hiervan in 1869 een voorbeeld voor. Het aantal afgevaardigden van het district Sneek werd toen verhoogd van twee naar drie. Daarmee verzekerden de liberalen zich van een extra zetel. Als er in Friesland een nieuw (enkelvoudig) district bij was gekomen, was de kans groot geweest dat de antirevolutionairen die zetel hadden kunnen veroveren.

In 1878 deed hetzelfde zich voor bij het district Goes. Bij vorming van een district Bergen-op-Zoom was de kans groot dat de katholieken een zetel zouden behalen. Door van Goes een dubbel district te maken, konden de liberalen dat op grond van de principe 'the winner takes dit all' voorkomen en zelf de extra zetel verovereren.

De verkiezingen

Om te worden gekozen, diende je in een district de absolute meerderheid te halen. Als bij verkiezingen drie of meer personen kandidaat waren en geen van hen een meerderheid kreeg, was een tweede ronde nodig tussen de twee kandidaten die de meeste stemmen hadden behaald. Dit was dus anders dan nu in Groot-Brittannië, waar slechts één ronde is en degene die de meeste stemmen haalt direct is gekozen.

Door dit stelsel moesten kiezers die op een kandidaat hadden gestemd die na de eerste ronde was afgevallen, in de tweede ronde een nieuwe keuze maken. Stel dat in de eerste ronde een liberaal, katholiek en socialist meededen en de liberaal en katholiek naar de tweede ronde gingen, dan moesten de kiezers die op de socialist hadden gestemd, bepalen of ze in de tweede ronde op de liberaal of de katholiek zouden stemmen (of zich van stemming onthouden).

Het stelsel met twee ronden leidde er verder toe dat partijen afspraken gingen maken over de steun aan kandidaten. Stel er waren vier partijen: A, B, C en D. Partij A en B konden afspreken, dat als de kandidaat van partij A in de tweede ronde tegenover een kandidaat van partij C of D zou komen te staan, de kiezers van partij B zouden worden opgeroepen op de kandidaat van partij A te stemmen (en omgekeerd ook als de kandidaat van partij B zou overblijven).

Meestal werden de kandidaten bovendien tevoren al door de samenwerkende partijen verdeeld over de districten: in Gouda een antirevolutionair, in Loosduinen een katholiek, in Delft een antirevolutionair, etc. Zo werd voorkomen dat katholieken tegenover antirevolutionairen kwamen te staan, en dat zij beide de kans liepen al in de eerste ronde te worden verslagen door bijvoorbeeld een liberaal.

Bezwaren tegen het stelsel

Als grootste bezwaar tegen de combinatie van meerderheidsstelsel en het districtenstelsel gold dat de politieke verhoudingen onder de bevolking niet goed werden 'vertaald' in de samenstelling van de Tweede Kamer. Zo hadden de confessionele partijen (RK, ARP en CH) in 1905 en 1913 een meerderheid onder de kiezers, maar bleven zij desondanks in de Tweede Kamer in de minderheid.

Dat was deels een gevolg van het systeem met twee verkiezingsrondes. Een kandidaat die bij de eerste stemming 40 procent van de kiezers achter zich had gekregen, kon desondanks toch niet gekozen worden, als zijn tegenstander in de tweede ronde steun wist te krijgen van de aanhang van een (afgevallen) derde kandidaat.

Stel dat aan verkiezingen drie kandidaten meededen: een socialist, een liberaal en een katholiek. De socialist kreeg in de eerste ronde 25 procent, de liberaal 35 procent en de katholiek 40 procent. In de tweede ronde kwamen liberaal en katholiek tegenover elkaar te staan. Dankzij de steun van de socialistische kiezers kon de liberaal in de tweede ronde alsnog de katholiek, ondanks diens goede uitslag in de eerste ronde, verslaan.

Een ander nadeel was dat voor veel kiezers de verkiezingen feitelijk geen betekenis hadden, omdat de kandidaat van hun voorkeur toch kansloos was. In Brabant en Limburg gold dat de Katholieke partij altijd in alle districten het sterkste was en dat liberale en socialistische tegenkandidaten volstrekt kansloos waren. Hetzelfde gold ook voor confessionele kandidaten in districten in onder meer Groningen en Drenthe en in veel stedelijke districten. Deelname aan de verkiezingen had voor veel kiezers feitelijk geen betekenis.

In feite werden de verkiezingen beslist in een beperkt aantal districten waar het verschil tussen de partijen klein was en de uitslag niet bij voorbaat vast stond. Dat verschillen soms klein waren, bleek onder meer in 1897 toen in Sneek de verkiezingen met één stem verschil werden beslist en in Amsterdam in een district zelfs twee kandidaten gelijk eindigden. Op grond van de Kieswet was toen de oudste kandidaat gekozen.

Als bezwaar werd ook gezien dat veel kiezers in de tweede ronde op een andere kandidaat moesten stemmen, dan welke hun eigenlijke voorkeur had.

Ten slotte leverde de indeling in districten grote problemen op. Door de groei van de steden na 1900 vertegenwoordigden afgevaardigden van enkele Amsterdamse en Rotterdamse districten op den duur veel meer kiezers dan bijvoorbeeld sommige Brabantse Kamerleden.

Dicht- en dunbevolkte districten (in 1914)

district

kiezers

Rotterdam IV

19.700

Amsterdam III

17.100

Amsterdam V

16.600

Grave

7.400

Waalwijk

6.900

's-Hertogenbosch

6.500


meer over