Leidse zoutzieder en lid van de Kamer van Koophandel, die in 1849 Thorbecke opvolgde als Kamerlid voor Leiden toen deze minister werd. Hij werd in 1850 echter niet herkozen, maar keerde in 1851 terug als afgevaardigde voor het district Steenwijk. Tamelijk actief als Kamerlid, zonder in de Tweede Kamer een vooraanstaande rol te spelen. Aan zijn Kamerlidmaatschap kwam een einde na de Aprilbeweging van 1853 en doordat hij was beschuldigd van belastingfraude bij de zouthandel.