E.W. van Dam van Isselt

E.W. van Dam van Isselt
bron: Fotoarchief Eerste Kamer

Markant en actief Gelders Tweede en Eerste Kamerlid. Landjonker, militair en lokale bestuurder in de West-Betuwe. Zoon van een Utrechtse patriot. Zelfstandig, onconventioneel en antipapist. Eén van de voornaamste opposanten van de politiek van Willem II. Koos in 1840 de zijde van Thorbecke tegen de door de koning voorgestelde weinig betekenisvolle Grondwetsherziening. Vier jaar later één van de 'Negenmannen' die een voorstel tot ingrijpende Grondwetsherziening indienden.

financiële oppositie, liberaal, 'pragmatisch' liberaal
functie(s) in de periode 1829-1860: lid Tweede Kamer, voorzitter Tweede Kamer, lid Eerste Kamer

Inhoud

  1. Personalia
  2. Partij/stroming
  3. Hoofdfuncties/beroepen
  4. Nevenfuncties
  5. Opleiding
  6. Activiteiten
  7. Wetenswaardigheden
  8. Publicaties van/over
  9. Familie/gezin

Personalia

voornamen (roepnaam)

Edmond Willem

titulatuur en naam

E.W. van Dam van Isselt Edmond Willem

geboorteplaats en -datum

Breda, 20 februari 1796

doopplaats en -datum

Breda (Waalse Kerk), 3 maart 1796

overlijdensplaats en -datum

Geldermalsen, 9 februari 1860

levensbeschouwing

Waals Hervormd

niet-kerkelijke levensbeschouwing

vrijmetselaar

Partij/stroming

stroming(en)

  • "financiële oppositie" (ten tijde van koning Willem I en koning Willem II)
  • liberaal (tussen 1840 en 1849)
  • 'pragmatisch' liberaal (vanaf 1849)

Hoofdfuncties/beroepen

  • tweede luitenant, eerste regiment dragonders, van 8 december 1813 tot 20 oktober 1814 (eervol ontslag)
  • landeigenaar en ambachtsheer, vanaf 1815
  • lid Provinciale Staten van Gelderland, van 6 juli 1824 tot oktober 1829 (voor de landelijke stand, district Zaltbommel)
  • schoolopziener, achtste district Gelderland, van juni 1829 tot 1 december 1855
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 19 oktober 1829 tot 13 februari 1849 (voor Gelderland)
  • voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 20 oktober 1841 tot oktober 1842
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 13 februari 1849 tot 3 mei 1849 (voor het kiesdistrict Zaltbommel)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 12 februari 1850 tot 20 augustus 1850 (voor het kiesdistrict Arnhem)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 12 oktober 1850 tot 8 oktober 1852 (voor het kiesdistrict Tiel)
  • lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 29 oktober 1852 tot 9 februari 1860 (voor Gelderland)

officiersrangen

  • tweede luitenant, van 8 december 1813 tot 20 oktober 1814
  • wapenheraut, vanaf 5 maart 1815
  • opperwachtmeester en commandant vijfde compagnie jagers (Utrechtsche Vrijwilligers) te paard, van 30 maart 1815 tot 26 oktober 1815 (maakte de tocht naar Frankrijk mee tegen Napoleon)
  • majoor-honoraris en commandant corps "Vrijwillige jagers van Van Dam", van 28 oktober 1830 tot 1 mei 1839 (oprichter; maakte onder meer de Tiendaagse Veldtocht mee)

Nevenfuncties

  • vicepresident Societé de bienfaisance et de secours te Parijs, 1843
  • lid commissie van het onderwijs in Gelderland, vanaf 1829
  • commissaris Nederlandsche Maatschappij van brandverzekering te Tiel, vanaf 1835
  • dijkgraaf polderdistrict Tielerwaard, van 1 februari 1836 tot 9 februari 1860
  • houtvester, derde afdeling van het eerste jachtdistrict, vanaf 1840
  • voorzitter Commissie ter oprichting van een standbeeld binnen de stad 's-Gravenhage voor Z.M. koning Willem II, vanaf april 1849
  • voorzitter commissie voor de plechtige onthulling van het standbeeld van koning Willem I te 's-Gravenhage, vanaf 1853
  • voorzitter vereniging "Sint Hubertus", vanaf 1853
  • voorzitter Nederlandsche Rhijnspoorcommissie, vanaf 1853

afgeleide functies, presidia etc.

  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van oktober 1837 tot december 1837
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van augustus 1840 tot december 1840
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van april 1841 tot augustus 1841
  • voorzitter Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 20 oktober 1841 tot oktober 1842
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van april 1847 tot juli 1847
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van mei 1848 tot 8 oktober 1848 (in september voorzitter tweede afdeling)
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 14 februari 1849 tot april 1849
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van februari 1850 tot april 1850
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van juni 1850 tot september 1850
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1851 tot november 1851
  • lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van september 1856 tot december 1856
  • lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van april 1859 tot mei 1859
  • lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van augustus 1859 tot september 1859

Opleiding

voortgezet onderwijs

  • ecole secondaire te Maastricht, van 1809 tot 1812 (om zich voor te bereiden op de theologische studie)

hoger beroepsonderwijs

  • cadet-aspirant corps artillerie, militaire school te Amersfoort, van 1806 tot 1808 (door zijn vader losgekocht)

academische studie

  • theologie (niet voltooid), Hogeschool te Utrecht, van 14 januari 1812 tot 1813 (als theologiestudent kon hij niet opgeroepen worden als soldaat)
  • letteren (niet voltooid), Hogeschool te Leiden, van 1816 tot 1818

Activiteiten

als parlementariër

  • Pleitte in 1830 met Warin en Van Lynden van Hoevelaken als enige Noord-Nederlander voor spoedige grondwetsherziening. Beantwoordde de vraag of tot scheiding van Noord en Zuid moest worden overgegaan echter met "neen".
  • Behoorde in 1832 tot de minderheid die vóór een wetsvoorstel tot verhoging van de accijns op turf stemde. Het wetsvoorstel werd met 34 tegen 15 stemmen verworpen.
  • Behoorde in 1833 tot de 16 leden die tegen de begroting 1834/1835 stemden. Stemde tevens tegen de ontwerp-Wet op de middelen.
  • Behoorde in 1835 tot de 15 leden die tegen de begroting 1836/1837 stemden. Stemde tevens tegen de ontwerp-Wet op de middelen.
  • Behoorde in 1837 tot de 21 leden die tegen de begroting 1838/1839 stemden. Stemde tevens tegen de ontwerp-Wet op de middelen.
  • Behoorde in 1839 tot de zes leden die tegen de geldlening voor droogmaking van de Haarlemmermeer stemden
  • Behoorde in 1839 tot de 14 leden die tegen de voorlopige begroting 1840 stemden
  • Stelde in januari 1840 met vier anderen aan de Tweede Kamer voor om de gewenste wijzigingen van de Grondwet in de vorm van een wetsvoorstel aan de koning aan te bieden
  • Was in 1840 als enige in de Tweede Kamer voorstander van afschaffing van de doodstraf
  • Stemde in 1840 met 10 anderen tegen alle voorstellen tot Grondwetsherziening
  • Behoorde in 1843 tot de 24 leden die vóór het (verworpen) wetsvoorstel tot regeling van 's Rijks openbare schuld stemden
  • Behoorde in 1843 tot de 24 leden die tegen hoofdstuk I van de begroting voor 1844 en 1845 stemden. De begroting werd met 33 tegen 24 stemmen aangenomen.
  • Stemde in 1843 en 1845 geregeld tegen begrotingshoofdstukken
  • Behoorde in 1844 tot de 25 leden die tegen de ontwerp-wet inzake de (vrijwillige) geldlening en buitengewone belasting op bezittingen stemden. Het voorstel werd met 32 tegen 25 stemmen aangenomen.
  • Behoorde in 1844 tot de 28 leden die vóór het ontwerp-Adres van Antwoord stemden, waarin werd aangedrongen op grondwetsherziening
  • Behoorde in 1844 tot de meerderheid die tegen een wetsvoorstel stemde over het doen van huiszoekingen in het kader van de accijns op vlees. Het wetsvoorstel werd met 27 tegen 26 stemmen verworpen.
  • In 1844 één der "Negenmannen" die een initiatiefwetsvoorstel over Grondwetsherziening indienden. Was in mei 1845 bij de stemming over het in behandeling nemen van het voorstel afwezig.
  • Behoorde in 1845 tot de 19 leden die tegen hoofdstuk I van de begroting voor 1846 en 1847 stemden. De begroting werd met 37 tegen 19 stemmen aangenomen.
  • Behoorde in 1847 tot de 23 leden die tegen hoofdstuk IV (Justitie) van de begroting voor 1848 en 1849 stemden. De begroting werd met 35 tegen 23 stemmen aangenomen.
  • Behoorde in 1847 tot de meerderheid die tegen het wetsvoorstel over het stemrecht in steden en op het platteland stemde. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 27 stemmen verworpen.
  • Stemde in 1848 bij de eerste lezing tegen de hoofdstukken IV (Prov. Staten en Gemeentebesturen), VI (Godsdienst) en VIII (Defensie) van de Grondwetsherziening; stemde bij de tweede lezing vóór alle wetsvoorstellen.
  • Behoorde in 1855 tot de zeven leden die vóór (verworpen) wetsvoorstellen over officierspensioenen stemden. Een meerderheid keerde zich tegen het verlenen van volledig pensioen aan buitenlandse officieren die niet in Nederlands woonden.
  • Stemde in 1859 tegen de ontwerp-Wet omtrent het gebruik der spoorwegen
  • Voerde in het parlement over 367 wetsvoorstellen het woord

Wetenswaardigheden

algemeen

  • In februari 1846 kwam het bijna tot een duel tussen hem en minister Van Hall, nadat Van Hall had gezegd dat hij (beledigende) woorden die tijdens een debat door Van Dam van Isselt waren uitgesproken, buiten de Kamer tot laster zou hebben verklaard. Van Dam van Isselt eiste terugneming van het woord 'laster'. Toen Van Hall dat weigerde, daagde hij hem uit voor een duel. De beide secundanten (Nahuys en Trip) wisten echter een verklaring op te stellen, waarin Van Hall aangaf niet beoogd te hebben Van Dam van laster te beschuldigen. Van Dam van Isselt ontving die verklaring in het huis van zijn secondant Nahuys in het bijzijn van de Kamervoorzitter en enkele medeleden en accepteerde die op aanraden van zijn ambtgenoten. Na publicatie in de Handelingen van 23 februari 1846 was het geschil uit de wereld.
  • Was hervormingsgezind, maar antipapistisch. Tegenstander van het afschaffen van het recht van placet.
  • Nam in mei 1849 ontslag als Tweede Kamerlid, omdat hij buiten de tegenstelling tussen Thorbeckianen en de gematigd liberalen wilde blijven
  • Keerde begin 1850 terug in de Tweede Kamer, nadat het eerste kabinet-Thorbecke was gevormd. Hij hoopte dat kabinet te kunnen steunen. Nam kort na zijn herverkiezing in 1852 ontslag als Tweede Kamerlid
  • Hield op 27 augustus 1856 de officiële toespraak bij de onthulling van het Metalen-Kruismonument op de Dam in Amsterdam, dat werd onthuld ter gelegenheid van het 25-jarig jubilieum van de Tiendaagse Veldtocht

uit de privésfeer

  • Wijdde zich sinds 1815 aan de dichtkunst
  • Zijn vader was schepen van Utrecht, lid van de Staten van Utrecht, lid van het departementaal bestuur van Utrecht (1805) en directeur der stedelijke belastingen (1816-1832)

verkiezingen

  • Versloeg in 1848 in het district Zaltbommel jhr. C.E.J.F. van Nispen van Pannerden
  • Versloeg in 1849 bij een tussentijdse verkiezing in het district Arnhem na herstemming J.H.G. Boissevain
  • Versloeg in 1850 bij de algemene verkiezingen in het district Tiel W.R. baron van Hoëvell. Werd in het district Amersfoort verslagen door A.W. Engelen en S. van Walchren.
  • Werd in 1852 bij de periodieke verkiezingen in de eerste stemmingsronde met ruim 83 procent van de stemmen gekozen
  • Versloeg in oktober 1852 bij een tussentijdse verkiezing voor een Eerste Kamerlid in Provinciale Staten van Gelderland met 26 tegen 19 stemmen C.L. Vitringa

woonplaats(en)/adres(sen)

Geldermalsen, Huize Ravestein, van 17 mei 1815 tot 9 februari 1860

ridderorden

  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 1831
  • Ridder vierde klasse, Militaire Willemsorde, 31 augustus 1831
  • Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 1842
  • Grootofficier in de Orde van de Eikenkroon, 1854

overige onderscheidingen en prijzen

  • herinneringsmedaille voor de strijders van 1813, 1842
  • herinneringsmedaille voor de uitgetrokkenen van 1813, 1842
  • Metalen Kruis, 1842

vermogenspositie

het grootste gedeelte van het familievermogen ging verloren door de patriottentijd en de Franse tijd met zware belastingen, inkwartiering, extra heffingen, etc

verenigingen, sociëteiten, genootschappen etc.

  • lid vrijmetselaarsloge "Unitas" te Utrecht
  • lid letterkundig genootschap "Utile Dulci", vanaf 1813
  • lid anti-slavery-society te Londen, vanaf 1843
  • buitenlid liberale Amstelsocietëit
  • lid Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden

Publicaties van/over

lijst van publicaties

  • "Eerstelingen" (1816)
  • "Gedichten" (1823)
  • "Fanatisme" (1823)
  • "Hulde aan de nagedachtenis der helden van Huisduinen" (1824)
  • "Navarino"
  • "Nederland" (1832)
  • "Leonard en Lotje" (1850)
  • "Hassar of de negers" (1855)

literatuur/documentatie

  • Levensbericht door J.H. Burlage, in: Levensberichten van leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1860, 272
  • Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel I, 684
  • R.M.J.F. Meeuws, scriptie Staatkundig-Historische Studiën, RU Leiden
  • W. Verkade, "Thorbecke als Oost-Nederlandse patriot", 134-135
  • A. van Gils, "Een winderig heerschap: Edmond Willem van Dam van Isselt 1796-1860", Bijdragen Gelre 76 (1985), 89-117

Biografisch Woordenboek(en)

biografie opgenomen in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek

publicaties over en van letterkundigen

biografie

Familie/gezin

huwelijk/samenlevingsvorm

gehuwd te Utrecht, 17 mei 1815

echtgeno(o)t(e)/partner

A.C.E. van Barneveld, Anna Catharina Emerentia

vader

Mr. W. van Dam, Willem

geboorteplaats en/of -datum

Utrecht, 9 november 1757

beroep vader

  • advocaat Provinciale Hof van Utrecht, van 1777 tot 1784
  • directeur der stedelijke belastingen, van 4 november 1816 tot 1832

moeder

G.E. Nahuijs, Geertruida Elisabeth

geboorteplaats en/of -datum

Goes, 13 april 1761

beroep grootvader (vaderskant)

  • kanunnik Sint Jan te Utrecht, van 1749 tot 1754
  • schepen van Utrecht

beroep grootvader (moederskant)

officier

familierelaties