Het gifschandaal in Lekkerkerk (1980)

Dit is een artikel in de serie Wandelingen door de Handelingen, een kijkje in de Nederlandse parlementaire geschiedenis aan de hand van spraakmakende debatten.

In het voorjaar van 1980 schrikt Nederland op van wat al gauw het gifschandaal van Lekkerkerk gaat heten: een nieuwbouwwijk blijkt te zijn gebouwd op ernstig verontreinigde grond. Het begint met een waarschuwing over verontreinigd grondwater dat bij werkzaamheden wordt aangetroffen, maar het groeit in korte tijd uit tot een bestuurlijke en politieke spoedoperatie. In één klap liggen vragen over volksgezondheid, eigendomsrecht, schadevergoeding en bestuurlijke verantwoordelijkheid op tafel.

Inhoud

  1. Achtergrond
  2. Nasleep
  3. Handelingen

Achtergrond

In september 1978 wordt tijdens werkzaamheden in Lekkerkerk verontreinigd grondwater aangetroffen. Het nutsbedrijf schakelt de milieu-inspectie in. In januari 1979 wordt dat ook doorgegeven in de inspectielijnen, maar Lekkerkerk is dan nog geen landelijke crisis.

Begin april 1980 verandert dat. De verontreiniging wordt landelijk bekend, bewoners worden geïnformeerd en voorzieningen in de wijk (zoals een school en de sporthal) gaan dicht in afwachting van nader onderzoek en een besluit over de te nemen maatregelen.

Wanneer op 22 april 1980 duidelijk wordt dat door aantasting van het leidingwaternet de drinkwaterkwaliteit niet langer kan worden gegarandeerd, loopt de druk die op de besluitvorming komt te liggen op.

Op 24 april 1980 volgt intensief overleg tussen Rijk, provincie en gemeente. Op 2 mei 1980 valt het besluit dat de wijk uit volksgezondheidsoverwegingen uiterlijk 1 juni 1980 geheel ontruimd moet zijn. Tegelijk wordt als beleidslijn neergezet dat alle verontreinigde grond moet worden verwijderd en dat dit snel moet gebeuren, zodat de werkzaamheden niet vastlopen wanneer het winter wordt.

Nasleep

Naar aanleiding van het gifschandaal in Lekkerkerk (1980) werd wetgeving ontwikkeld als basis voor de aanpak van bodemverontreiniging in Nederland. Allereerst trad in 1983 de Interimwet Bodembescherming in werking. Die werd opgezet als tijdelijke regeling om sanering juridisch, bestuurlijk en financieel te kunnen afdwingen en organiseren, zonder te hoeven wachten tot een volledig bodemstelsel 'af' is. De wet werd gevolgd door de Wet bodembescherming (Wbb) in 1987 en de gewijzigde Wbb in 2006.

Men ging ervan uit dat het probleem van historische bodemverontreiniging vooral werd veroorzaakt door ongecontroleerd storten en dat het in een beperkte periode van ongeveer tien jaar kon worden opgelost. Gaandeweg bleek het probleem echter omvangrijker dan gedacht, doordat ook binnensteden en voormalige bedrijfsterreinen verontreinigd bleken te zijn. 

Handelingen

Hieronder volgt een greep uit de Handelingen van 29 mei 1980. Centraal stond in het debat dat bewoners niet kopje-onder mochten gaan. Het kabinet zegt toe zo te handelen dat bewoners geen financiële schade lijden door wat hun overkomt.

Minister De Ruiter: Mijnheer de Voorzitter! Namens de Regering merk ik op dat wij ervan doordrongen zijn dat de in Lekkerkerk gevonden bodemverontreiniging voor de 265 gezinnen die daardoor getroffen zijn, veel spanningen en veel droefenis heeft gegeven en ook voor de komende tijd zal geven en wellicht nog lange tijd haar stempel zal blijven drukken op het dagelijks bestaan van deze gezinnen.

Het ging in het debat eveneens om beschikkingsmacht. Immers, als je grond grootschalig wilt afgraven en woningen tijdelijk leeg zet, moet je beschikken over eigendomsrechten. Over de juiste handelswijze bestond discussie:

Minister De Ruiter: [...] Toen de omvang van de ramp in Lekkerkerk duidelijk werd, was een snel optreden geboden. In het alge meen belang, met name hier in het belang van de volksgezondheid, is alge hele verwijdering van de giftige bestanddelen uit de bodem noodzakelijk. Daartoe is nodig dat de beschikking over de eigendom wordt verkregen. Het gaat om een opruimingsoperatie die zich over de gehele wijk uitstrekt. Wij weten nog niet precies wat er alle maal uit de grond zal komen. Vandaar dat deze toch zeer algemene, diep in grijpende aanpak noodzakelijk was. Bij de noodzakelijke eigendomsverkrijging staat vrijwillige verwerving voorop. Als dat niet lukt, is de enige wijze waarop een snelle eigendomsverkrijging kan worden gerealiseerd die van vordering. Vandaar dat het wetsontwerp ook daartoe strekt. Wij hebben uit de aard der zaak in de span ne tijds die ons ter beschikking stond ook andere mogelijkheden overwogen, maar dit was uiteindelijk de enige die baat kon bieden in de situatie waarvoor wij stonden.

[...]

De heer Tripels (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Mijn fractie is bijzonder erkentelijk voor het duidelijke antwoord en het standpunt van de Regering. In die dank betrek ik natuurlijk ook de ambtenaren van de departementen, de provinciale ambtenaren en de gemeentelijke ambtenaren die hier niet aanwezig zijn. Ik wil nog twee opmerkingen maken. Ik heb er begrip voor dat totale onteigening van het getroffen gebied duidelijkheid schept en dat zij een uniforme aanpak mogelijk maakt. Dat de beschikking over het eigendom echter het enige middel zou zijn - nu moet men mij niet verwijten dat ik zo koppig zou zijn als een muilezel - betwijfel ik. Het is natuurlijk een zuivere en duidelijk vorm. Maar juist in verband met het feit dat sommige eigenaren, naar alle waarschijnlijkheid, kenbaar heb ben gemaakt, dat zij graag terug willen gaan naar hun huis, wanneer dat niet Lekkerkerk behoeft te worden afgebroken, zouden zij toch te allen tijde een overeenkomst kunnen afsluiten waardoor alle operatieve noodzakelijkheden daar zouden kunnen worden uitgevoerd. Dat is al tijd mogelijk. 

Staatssecretaris Koning: Daar zit nu juist het probleem. 

De heer Tripels (VVD): Met andere woorden, dat absolutisme, waarmee het gesteld wordt, is niet helemaal juist. Het klinkt mij niet overtuigend in de oren. Ik geef toe: het is eenvoudiger en duidelijker. Iemand kan echter zeg gen: mijnheer, u kunt onder mijn huis graven; ik geef u volledige volmacht, zonder dat de eigendom behoeft te worden overgedragen. Dat kan. Dat is in de contractuele sfeer mogelijk. 

Staatssecretaris Koning: Het is op dit moment niet zeker welk huis al dan niet moet worden afgebroken. Afbraak houdt een zodanige beschikking in dat daarmee niet kan worden geopereerd in uw gedachte van een zodanige overeenkomst. In de praktijk gebeurt het volgende. In Rotterdam moest voor de aanleg van de metrolijn naar het westen op een gegeven ogenblik de beschikking worden verkregen over voortuinen. Ook daar is gekozen voor het model van het eerst in eigendom van de gemeente verkrijgen. Daarna kon eventueel een en ander weer worden teruggedraaid. Dit geeft juridisch een zuiverder constructie voor degene die moet opereren.

Mevrouw Salomons trekt de discussie open. Het gaat haar niet alleen om het saneren, maar ook om het gevoel dat de dader buiten bereik blijft: 

Mevrouw Salomons (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! De behandeling van dit wetje is, om meerdere redenen, een uitermate trieste gebeurtenis. De situatie in Lekkerkerk bewijst hoe diep wij letterlijk en figuurlijk kunnen zinken in onze industriële samenleving. Wij stoppen, zonder op gezondheid en welzijn van mensen te letten, zoveel rotzooi in de bodem - de vice-Minister-President gebruikte dit woord recentelijk - dat daardoor een situatie ontstaat waarin wij naar analogie noodwetten moeten gaan hanteren die geschreven zijn voor natuurram pen of oorlogstijd. De mensen in Lekkerkerk worden van hun vertrouwde woonomgeving beroofd en wij moeten constateren dat het vrijwel or-doenlijk is om de werkelijke schuldige aan te pakken. Het enige wat de overheid kan doen is pogen de materiële schade op te vangen. Vele bewoners van deze rampwijk zullen dit ervaren als een absolute on macht van ons rechtsstelsel. Zo spoedig mogelijk moet bekeken worden welke maatregelen, ook in wetgeven de zin, noodzakelijk zijn om te voorkomen dat schuldigen aan dit soort delicten, ook al zijn ze in het verleden gepleegd, zo snel strafrechtelijke vervolging kunnen ontlopen. Mijn fractie is geen voorstandster van ver gelding in het strafrecht, maar hier is het ongrijpbaar zijn van de dader toch bijzonder moeilijk te verkroppen. Dat is het met name voor de gelaedeerden die naast de materiële schade ook nog bijzonder veel immateriële schade lij den, eerst door de angst en onzekerheid en nu weer door de verhuizing, inadequate huisvesting en andere problemen.

Voor de Kamer was het van belang dat bewoners die vanwege het algemeen belang hun huis moesten verlaten, niet met de kosten mochten blijven zitten. Er kwam wel een motie-Salomons c.s. (16 186, nr. 6) die ging over hoe en wanneer de schade voor bewoners van Lekkerkerk moest worden vastgesteld en vergoed: 

Minister de Ruiter: In het wetje, dat in ontwerpvorm nu voor ligt, is dat zo geregeld dat via de toepasselijkheid van de Vorderingswet de schadevergoeding wordt geregeld zoals bij onteigening. Men zou uit de woorden die vanochtend zijn gesproken eerder het omgekeerde denken, maar toch is dat zo belangrijk, omdat juist de Onteigeningswet uitgaat van volledige schadeloosstelling. Dat beginsel is door de constructie die wij hebben gekozen dus niet aangevallen, maar juist bevestigd. Het gaat dus om volledige vergoeding, zij het dat in het verband van de Onteigeningswet alleen in aanmerking komt de schade die het rechtstreeks gevolg is van de eigendomsontneming. Dat is nu eenmaal de opzet van de Onteigeningswet.

[...]

Mevrouw Salomons (PvdA): Mag ik hieruit begrijpen dat het de bedoeling is ook in die gevallen waarin verkocht is en een contract is getekend, waarin staat dat de verkoper afziet van alle nadere vorderingen en de afrekening als een volledige schadeloosstelling geldt, in een latere fase een nieuwe schadeloosstellingsprocedure op gang te brengen? 

Minister De Ruiter: Het procedurele aspect zal ik straks behandelen. Ik gaf alleen een voorbeeld ervan dat wij aan volledige schadeloosstelling werken.

Salomons stelde echter een andere wijze van vergoeden voor: 

Mevrouw Salomons (PvdA):  Wij menen dat de enige rechtvaardige oplossing voor de vergoeding van de schade is, dat aan het einde van de operatie in alle gevallen wordt bezien, welke schade werkelijk aantoonbaar is geleden. Deze zal dan integraal moeten worden vergoed. Die schade valt nu nog niette bepalen en ook nog niet op het moment van een eventueel vonnis van de rechtbank.

Uiteindelijk kwam er een spoedwet en werd de vorderingsbevoegdheid verlengd in verband met verontreiniging van gronden in Lekkerkerk. Op deze manier had de overheid een instrument om (tijdelijk) in te grijpen in eigendom en gebruik om de sanering mogelijk te maken.