Dit is een artikel in de serie Wandelingen door de Handelingen, een kijkje in de Nederlandse parlementaire geschiedenis aan de hand van spraakmakende debatten.
Op 28 maart 1979 ging het mis in de Amerikaanse kerncentrale Three Mile Island bij Harrisburg. Door een storing, gebrekkige meetapparatuur en verkeerd ingrijpen van werknemers kwam het bijna tot een kernsmelting van de reactor. Er vielen geen directe slachtoffers, maar dagenlang bestond grote onzekerheid over het verloop van het ongeval en werden omwonenden geëvacueerd.
Op 20 februari 1980 behandelde de Tweede Kamer de regeringsnota over het kernongeval. Het debat ging al snel niet meer alleen over Harrisburg, maar vooral over de gevolgen voor Nederlandse kerncentrales in Borssele en Dodewaard, de opslag van radioactief afval en de toekomst van kernenergie in Nederland.
Inhoud
De Nederlandse consequenties
Van Houwelingen (CDA) opende het debat. Hij zette de vragen op een rij die de verdere beraadslaging zouden bepalen.
De heer Van Houwelingen (CDA): "Nu wij thans, alweer bijna een jaar na het ongeval met de TMI-centrale, hierover in dit parlement spreken, gaat het niet primair om het napraten, om een evaluatie van wat er gebeurde, maar meer om de eventuele consequenties voor het Nederlandse beleid. Vragen die vandaag gesteld moeten worden zijn onder meer:
Is een vergelijkbaar ongeval ook hier in Nederland of in de ons omringende landen mogelijk? Zijn de veiligheidswaarborgen met betrekking tot de kerncentrales in Borssele en Dodewaard optimaal en afdoende? Op welke wijze moeten thans de bekende veiligheidsstudies worden geïnterpreteerd en hoe staat het met de herevaluatie? Zijn de bestaande rampenplannen wel in voldoende mate bezien na de opgedane ervaringen in Harrisburg? In hoeverre zijn de conclusies en aanbevelingen van de commissie-Kemeny ook relevant voor de Nederlandse situatie?
Zeker mag tijdens dit debat niet voorbijgegaan worden aan een oordeel over de vraag of, op basis van de thans beschikbare informatie, niet overwogen zou moeten worden de kerncentrale in Borssele en Dodewaard te sluiten."
Van Houwelingen maakte zich vooral zorgen over de crisisbeheersing. In Harrisburg waren verantwoordelijkheden onduidelijk geweest en was de informatievoorziening tekortgeschoten. Hij wilde weten of in Nederland niet te veel instanties en deskundigen bij een ongeval betrokken zouden raken. Een goede technische installatie was onvoldoende als bestuurders tijdens een crisis langs elkaar heen werkten.
Verbrugh (GPV) legde het accent juist op de mensen die de centrales bedienden. De Kamer kon volgens hem onmogelijk zelf alle technische details van Borssele beoordelen. Hij stelde daarom voor hoge, landelijk vastgelegde eisen te stellen aan de opleiding én de karaktereigenschappen van reactortechnici.
Kernenergie als potentieel onveilig
Jansen (PPR) trok uit de Amerikaanse onderzoeksrapporten de conclusie dat niet alleen operators hadden gefaald. Het probleem zat volgens hem in de overtuiging dat een ernstig ongeluk eigenlijk niet kon gebeuren. Waarschuwingen waren terzijde geschoven en de controlekamer produceerde tijdens het ongeluk meer dan honderd alarmsignalen, zonder duidelijk te maken welk signaal het belangrijkst was.
De heer Jansen (PPR): "Het Kemeny-rapport wijdt het ongeval vooral aan menselijke factoren waardoor een op zich onbetekende technische fout kon uitgroeien tot het meest ernstige ongeval dat ooit openbaar is geworden. Die menselijke factoren slaan niet op stommiteiten van het bedienend personeel, maar op het gehele complex van het beheer van kerncentrales in de Verenigde Staten. In dat complex stond de techniek centraal, met een fixatie op het allerergst denkbare ongeval.
Het geloof dat kernenergie veilig zou zijn, was uitgegroeid tot een overtuiging waaraan niet getwijfeld mocht worden. Dit ging zover dat een waarschuwing van een eigen veiligheidsinspecteur vooraf, waarin exact voorspeld werd wat in Harrisburg zou gaan gebeuren, terzijde werd gelegd. Hoe weinig men de kans op een ernstig ongeval serieus nam, blijkt ook wel uit het feit dat de temperatuur van een uit de hand gelopen reactor niet meer gecontroleerd kon worden omdat de apparatuur daarvoor niet geschikt bleek. En ook het feit dat meer dan honderd alarmsignalen tegelijk in werking traden zonder dat het bedienend personeel kon uitmaken welk signaal het meest wezenlijk was, duidt daarop.
Een ongeval a la Harrisburg wordt in het Kemeny-rapport onvermijdelijk genoemd. Het Kemeny-rapport doet een aantal ingrijpende voorstellen, geënt op de basisregel dat kernenergie van nature potentieel onveilig is! Van die ingrijpende aanbevelingen zegt men dat zij noodzakelijk zijn, zonder nochtans de garantie te kunnen geven dat zij ook voldoende zullen blijken."
Jansen vertaalde dit vervolgens naar de Nederlandse centrales:
De heer Jansen (PPR): "Wat moeten wij leren uit het kernongeval te Harrisburg? Allereerst zal de grondhouding moeten zijn dat kernenergie in beginsel onveilig is. Men mag niet meer beweren dat Borssele of Dodewaard veilig zijn, maar op zijn best dat veel maatregelen genomen zijn om de onveiligheid te beperken. Men moet bij voortduring openstaan voor de mogelijkheid dat de kerncentrale niet meer te beheersen is."
Jansen verbond de veiligheidsvraag met het radioactieve afval. Stillegging kon later worden teruggedraaid, eenmaal geproduceerd afval niet.
De heer Jansen (PPR): "Er zijn derhalve zeer reële problemen met het afval en dan met name met het kernsplijtingsafval. Er is geen technisch en maatschappelijk aanvaarde oplossing beschikbaar voor het verwijderen daarvan. Er zijn grote politieke problemen met het opwerken. Toch wordt elke dag dat de kerncentrales werken onherroepelijk meer en nieuw afval geproduceerd. De PPR-fractie vindt dit hoogst onverantwoordelijk.
Het stilleggen van de beide centrales kan desgewenst wel weer ongedaan gemaakt worden. In tegenstelling tot het produceren van afval is stilleggen herroepelijk. Er is bovendien voldoende reservecapaciteit in de opwekking en transport van elektriciteit om in de vraag te voorzien."
Even verderop concludeerde hij:
De heer Jansen (PPR): "Het stilleggen van Borssele en Dodewaard tot de maatschappelijke discussie tot besluitvorming heeft geleid, is voor de PPR-fractie een uitweg uit het dillema van het onherroepelijk gevolg van het besluit elke dag weer opnieuw afval te produceren."
Jansen diende vervolgens samen met Ria Beckers-de Bruijn en Henk Waltmans een motie in om Borssele en Dodewaard buiten bedrijf te stellen totdat de maatschappelijke discussie over kernenergie was afgerond. Ook vroeg hij de regering geen vergunning voor compactopslag te verlenen en besluiten over de opwerking van gebruikte reactorbrandstof op te schorten.
Fred van der Spek (PSP) sloot zich in hoofdlijnen bij hem aan. Harrisburg had bovendien een stroom aan meldingen over eerdere storingen en gebreken losgemaakt. Dat wees er volgens hem op hoeveel geheimzinnigheid rond kernenergie had bestaan. Hoewel Borssele op verschillende punten beter was uitgevoerd dan Three Mile Island, bleven menselijke fouten mogelijk.
Een pas op de plaats
D66 kwam tot een tussenpositie. Ineke Lambers-Hacquebard vond het debat meer gaan over Borssele dan dat het een nabeschouwing was over Harrisburg. Zij vond dat het ongeluk de beperkingen van risicoanalyses had blootgelegd.
Mevrouw Lambers-Hacquebard (D'66): "Niet voor niets is de Nederlandse taal sinds 'Harrisburg' verrijkt met de term 'bijna-ramp'; want dat was het inderdaad. De in de VS uitgebrachte onderzoeksrapporten onderstrepen het ongelijk van de enkele optimist die wil volhouden 'dat er niets aan de hand was, omdat er geen doden vielen'. Les uit die bijna-ramp is in de eerste plaats een extra vraagteken bij het hanteren van risico-analyses: de kleine kans kan zich morgen voordoen en wordt overschaduwd door de mogelijkheid van zeer verstrekkende gevolgen; gevolgen die in Harrisburg gelukkig nog net niet zijn opgetreden. De relativiteit van tot nog toe gehanteerde analyses, zowel in technisch opzicht als wat betreft het incalculeren van het menselijk functioneren, is nu duidelijk.
In hun nota spitsen de bewindslieden de vraagstelling vooral toe op de kans op herhaling van exact hetzelfde ongevalsscenario als het verloop in Harrisburg. Ten onrechte want herbezinning op de beoordeling van reactorveiligheid vraagt een ruimere context, waarbij de mogelijkheid van het optreden van 'onregelmatigheden' van allerlei aard wordt bezien.
De steeds weer opduikende berichten over storingen bij kerncentrales kunnen niet worden gebagatelliseerd met een kunstmatig onderscheid tussen 'storingen' en 'incidenten', zoals de Ministers proberen. 'Harrisburg' leert dat dat onderscheid niet op zijn plaats is vanwege de ook volgens het Kemeny- en het Rogovin-rapport in het verleden te weinig onderkende mogelijkheid van cumulatie van kleinere mankementen, die onder omstandigheden evenzeer tot grote gevolgen kan leiden als één groot mankement."
Een meerderheid van D66 wilde de centrales niet onmiddellijk sluiten, maar verbond duidelijke voorwaarden aan het voorlopig doordraaien.
Mevrouw Lambers-Hacquebard (D'66): "Mijn fractie vindt dat een moeilijk probleem, maar meent toch in meerderheid dat de besluitvorming aan het eind van de brede maatschappelijke discussie moet worden afgewacht, echter onder twee uitdrukkelijke voorwaarden:
de Regering moet expliciet voor haar verantwoording nemen, dat de veiligheid voor de omgeving toereikend is gewaarborgd en dat bij de geringste twijfel daaraan de centrale zal worden stilgelegd; het functioneren van de centrales mag op geen enkele wijze leiden tot feiten, omstandigheden of verplichtingen die de uiteindelijke besluitvorming met voldongen feiten belasten.
Wat de reactorveiligheid betreft: de inmiddels verkregen nadere informatie en het werkbezoek aan de centrale te Borssele hebben ons de indruk gegeven, dat er geen acute aanleiding tot sluiting bestaat. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ieder risico afwezig is. In afwachting van een nadere evaluatie in het kader van de brede maatschappelijke discussie moet de Regering dan ook de aanvaardbaarheid van het functioneren van de centrale niet alleen met extra waarborgen omkleden maar daarover ook naar de burger toe geregeld verantwoording afleggen."
Het einde van de onfeilbaarheid
Arend Voortman (PvdA) koos eveneens voor een voorwaardelijke middenweg. Harrisburg had volgens hem vooral de pretentie aangetast dat de deskundigen alle mogelijke risico's konden voorzien. Gebrekkige openheid had volgens hem wantrouwen en polarisatie in de hand gewerkt. De PvdA wilde daarom onafhankelijke deskundigheid, openbare rapportage en voldoende controle op de elektriciteitsbedrijven.
De heer Voortman (PvdA): "Belangrijker dan de reeks van gebeurtenissen op zichzelf is het feit, dat de gevaarlijke situatie in de TMI-centrale op geen enkele wijze door reactor experts was voorzien. De situatie is ook niet van een berekende waarschijnlijkheid, voorzien in het Rasmussenrapport, dat enkele jaren geleden met een deskundige dreun op tafel werd gelegd. Interessant, vooral voor de Verenigde Staten zelf, is het feit, dat 42 kerncentrales zijn uitgevoerd met dezelfde foutief geplaatste meetapparatuur voor het waterpeil in het reactorvat.
Van groter belang, ook voor óns land, is echter de vraag, hoeveel andere, niet voorziene ontwerpfouten wellicht zijn of zullen worden ingebouwd in andere centrales. Verantwoord is verder de constatering, dat 'Harrisburg' weliswaar langs het randje van een fataal ongeval is gegaan, maar dat kennelijk toch een voldoende reserve aan beveiliging is overgebleven om dit ten slotte te voorkómen.
In de eerste plaats is daarmee de pretentie van exclusieve deskundigheid en onfeilbaarheid aangetast, die heel lang ook in ons land eigen bleek te zijn aan direct betrokkenen, elektriciteitsproducenten bij voorbeeld, èn indirect verantwoordelijken, zoals ambtelijke controle-instanties. Te lang ook is die houding gepaard gegaan met een gebrek aan openheid. Dit tekort heeft stellig in belangrijke mate bijgedragen tot het ontstaan van de sfeer van wantrouwen en nodeloze polarisatie, waarin de discussie over energieproblemen nu vaak moet plaatsvinden."
Hette Abma (SGP) waarschuwde eveneens tegen overhaaste conclusies. De geringe stralingsbelasting rond Harrisburg kon de angst van omwonenden niet eenvoudig wegnemen, maar sluiting van de Nederlandse centrales zou verstrekkende gevolgen hebben. Hij vroeg vooral om meer onderzoek naar combinaties van technische en menselijke fouten en om regelmatige oefeningen met de rampenplannen
De botsing over veiligheid
Reinier Braams (VVD) wilde de mogelijkheid van kernenergie openhouden. Harrisburg kon volgens hem zelfs een positieve uitwerking krijgen wanneer het ongeval tot betere ontwerpen, procedures en toezicht zou leiden. Jansen.
De heer Braams (VVD): "Als de analyse en de daaropvolgende herbezinning zouden leiden tot een aanmerkelijke verbetering van ontwerpen, procedures, toezicht, bediening en bovenal betrouwbaarheid van kernenergie, zal de nacht van Harrisburg kunnen leiden tot een positive balans. Slaagt men er niet in te komen tot aanmerkelijke verbeteringen, dan zal de twijfel over de veiligheid van kernenergie blijven voortbestaan zolang geen acuut tekort aan elektriciteit de noodzaak tot het aanvaarden van risico's duidelijk maakt."
Later in zijn betoog toen hij sprak over de twijfel aan de veiligheid van kernenergie onderbrak Jansen hem:
De heer Jansen (PPR): "Uw opmerking over twijfel aan de veiligheid van kernenergie suggereert, dat u ervan uitgaat, dat in beginsel kernenergie veilig is."
De heer Braams (VVD): "In beginsel wel."
De heer Jansen (PPR): "Dit is met name strijdig met het Kemeny-rapport. Daarin wordt heel nadrukkelijk en keer op keer het uitgaan van de veiligheid van kernenergie als de oorzaak aangeduid van een handelwijze die onder andere heeft kunnen leiden tot het ongeval in Harrisburg. Het Kemeny-rapport zegt, dat men er bij het omgaan met kernenergie vanuit moet gaan, dat in beginsel kernenergie onveilig is."
De heer Braams (VVD): "Akkoord. Nu belanden wij in een discussie over de vraag wat men onder 'veiligheid' verstaat. Is een risico van tien tot de min twaalfde of iets dergelijks nog wel veilig of niet? Ik heb die veiligheid in relatie tot alle andere opties die open zijn, beschouwd. Ik denk hierbij aan de risico's die verbonden zijn aan niets doen en de risico's die aan kolen zijn verbonden. Ik heb al gediscussieerd over het dampkringprobleem. Op de relatie tot andere risico's stoelde mijn begrip 'veiligheid'."
Daarmee tekende de politieke tegenstelling zich duidelijk af. Voor Jansen begon het beleid bij de principiële onveiligheid van kernenergie. Voor Braams moest het risico worden afgewogen tegen de risico's van alternatieve energiebronnen en van een mogelijk elektriciteitstekort. Tussen die twee uitgangspunten zocht de Kamer naar de Nederlandse betekenis van Harrisburg.
Bron: Handelingen Tweede Kamer, 20 februari 1980, behandeling van de Nota over het Kernongeval nabij Harrisburg (VS), Kamerstuk 15 580, p. 3182-3198.