Wie de koningin 'uit de regering' wil hebben, zou toch eerst eens moeten weten hoe zij erin is gekomen. Misschien wordt die verwijdering dan wel veel minder interessant.
Het blad Opzij wees onlangs de koningin aan als machtigste vrouw van ons land. Is dat niet het bewijs dat het met de emancipatie niet zo goed gesteld is?
Een geringe meerderheid betekent niet per definitie dat de overlevingskansen van een kabinet klein zijn. Dat bleek in 1977-1981. Er is voor een kabinet echter meer te willen dan alleen 'overleven'.
Ons constitutionele bestel kent geen investituur, de noodzaak voor een kabinet expliciet het vertrouwen te verwerven van de Tweede Kamer, voordat het zijn werkzaamheden begint. Wij kennen slechts de motie van wantrouwen, zoals de motie-Deckers van 1939.
Als het toekomstige kabinet-Rutte een minderheidskabinet is, dan was het kabinet Kuyper (1901 - 1905) dat ook. Maar, zo werd het destijds door niemand genoemd.
Twintig zetels verliezen, de leider het bos ingestuurd en dan vervolgens uitkomen met kabinetsdeelname in een gewenste combinatie. Het is duidelijk wie de formatie wint.
De vaste adviseurs aan het begin van de formatie zijn niet voorgeschreven, maar zij scheppen wel kalmte en zij beschermen de koningin tegen de verdenking van politieke besluiten.