‘De landelijke politiek moet met de vingers van de gemeenteraadsverkiezingen afblijven.’ Dat vond lijsttrekker Wijger Miedema van de CDA-afdeling in Leeuwarden toen hij in de aanloop naar de raadverkiezingen in maart 1986 de opdracht kreeg affiches te verspreiden waarop niet hij, maar CDA-kopstuk Ruud Lubbers met de armen over elkaar geslagen de kiezers toegrijnsde. Onder de tekst ‘Stem CDA’ was een wit kader opgelaten voor de naam van de plaatselijke lijsttrekker. Miedema weigerde uit protest de posters in de Friese hoofdstad op te hangen. In plaats daarvan liet de Ljouwertse CDA-afdeling nieuwe affiches drukken waarop uitsluitend de naam van de plaatselijke lijsttrekker was vermeld.[1]
Voor de landelijke CDA-top waren de gemeenteraadsverkiezingen van 1986 een belangrijke graadmeter om te zien hoe de partij er onder Lubbers voorstond. Twee maanden later zouden reguliere Tweede Kamerverkiezingen plaatsvinden. Hoewel Lubbers met een CDA-VVD-coalitie een keihard bezuinigingsbeleid had gevoerd, leek de waardering voor de minister-president toe te nemen. Om dat te toetsen besloot het landelijke CDA-campagneteam tot een persoonsgerichte campagne rond Lubbers en kregen de afdelingen de instructie een draaiboek te maken, waarin voor de periode 1 januari tot 18 maart elke dag een campagne-activiteit gepland diende te zijn, dat in de praktijk vooral flyeren zal hebben betekend.
Niet alleen het CDA verlegde de nadruk van (lokaal) program op persoon. D66 koos voor de leuze: ‘Straks Van Mierlo, nu …(de naam van de plaatselijke lijsttrekker)’ en vierde zo de terugkeer van Hans van Mierlo als partijleider. Met een opkomst van 73,2 procent keken de meeste landelijke partijen tevreden terug op deze ‘voorronde’ voor 21 mei.
Niet alleen in 1986 fungeerde de gemeenteraadsverkiezingen als glazen bol voor de Tweede Kamerverkiezingen. Ook in 1994, 1998, 2002 vonden de reguliere Kamerverkiezingen kort na de gemeenteraadsverkiezingen plaats. De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen in Rotterdam, waar Pim Fortuyn met Leefbaar vanuit het niets 17 van 45 zetels binnenhaalde, maakte een verpletterende indruk. De confrontatie tussen Fortuyn en de gevestigde partijen die hierop volgde bij een televisiedebat onder leiding van Paul Witteman is inmiddels onderdeel van de canon van verkiezingsgeschiedenis. In 2006 voelde VVD-fractievoorzitter Jozias van Aartsen zich geroepen terug te treden na de voor zijn partij teleurstellende uitslag, terwijl diezelfde gemeenteraadsverkiezingen voor de PvdA reden waren in Wouter Bos de nieuwe premier te zien.
Ook de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2010 hadden een landelijk tintje. Kort daarvoor was het kabinet-Balkenende IV gevallen over al of niet voortzetten van een militaire missie in Afghanistan. PvdA, VVD en CDA eindigden nek-aan-nek, met ieder rond de 15 procent van de stemmen. Nog opvallender was de doorbraak van lokale partijen die meer dan 23 procent van de stemmen binnenharkten en lang niet meer alleen in plattelandsgemeenten de grote winnaars waren. Die opmars is, zo weten we nu, gestaag en onstuitbaar gebleken. In 2018 was het 28,65 procent, 2022 ging het 31,28 procent en nu stemt 34,2 procent op lokale partijen.
De reflex om de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen ook in 2026 te extrapoleren naar de landelijke politiek blijft desalniettemin maar moeilijk te onderdrukken. Sommige fractievoorzitters zijn desgevraagd tevreden met het resultaat, ze hebben ‘de weg naar boven weer gevonden’ (Jesse Klaver) al ‘was dit geen referendum voor het kabinetsbeleid’ (Henri Bontenbal). Het is een vorm van padafhankelijkheid waar ook de parlementaire journalistiek niet los van komt.
Ondertussen pakken donkere wolken zich samen boven de lokale politiek. De betrokkenheid is niet zo groot, getuige het lage opkomstcijfer van rond de 53,7 procent. Daarin zit een lichte verbetering ten opzichte van de 50,9 procent van de ‘coronaverkiezingen’ van 2022, maar het ligt iets onder de trend van 2018 (54,9) en 2014 (54 procent). Daar komt bij dat verbrokkeling van raadsfracties de slagkracht van de gemeenteraden sterk vermindert. Partijen die plots opstappen, opsplitsen of door onderlinge ruzie hun effectiviteit verliezen; ze bezorgen de raad een slechte pers en ze laten hun kiezers in de steek.[2] Dat doet het vertrouwen in de politiek geen goed.
Aan dat vertrouwen schort het sowieso. Uit de eerste bevindingen van het Nationaal Kiezersonderzoek, dat is gehouden onder 6.000 respondenten en zich richtte op de Tweede Kamerverkiezingen van 2025, blijkt dat onder met name rechts-radicale kiezers systematisch ontevredenheid over democratie en de politiek heerst.[3] Hoewel Nederlanders volgens het SCP positiever zijn over de landelijke politiek dan over de landelijke, brengt een gebrek aan kennis van wat een gemeentebestuur precies doet en waarvoor het verantwoordelijk is, een risico met zich mee.[4]
Juist die (grote) verantwoordelijkheden, denk aan woningbouw, jeugdzorg en de Wmo, maar ook de besluiten die moeten worden genomen ten aanzien van onder meer asielzoekersopvang, energietransitie en klimaatadaptatie, maken het lokale bestuur een klasse apart. Engagement met lokale politiek zou zich dus niet moeten beperken tot campagnetijd. Samenwerking en aanmoediging met respect voor elkaars verantwoordelijkheden zijn nodig. Dus voor Rob Jetten, wiens beeltenis net als die van Lubbers in 1986 op alle verkiezingsposters was gedrukt, is hier werk aan de winkel.
[1] Maaike Kamps en Gerrit Voerman, Het Christen Democratisch Affiche (Boom; Amsterdam 2015) 104-105; Leeuwarder Courant, 10 maart 1986.
[2] Het pleidooi van Menno Hurenkamp voor een lintje in de Orde van de Democratie kan hier misschien verandering in brengen.
[3] Eelco Harteveld, Twan Huijsmans, Tom van der Meer en Floris Vermeulen, ‘Vertrouwen in verkiezingen maar blijvende onvrede over politiek: eerste bevindingen van het Nationaal Kiezersonderzoek 2025’, www.stukroodvlees.nl, geraadpleegd op 17 maart 2026.