Wanneer kun je spreken van een succesvol politiek leider? Na enorme winst bij verkiezingen, na een kabinetsperiode waarin veel tot stand werd gebracht, na als leider een duidelijk stempel te hebben gedrukt op de meningsvorming? En hoe moeten we dan oordelen over de premiers van de laatste veertig jaar: Lubbers, Kok, Balkenende en Rutte? De vraag kan ook worden gesteld bij VVD-leider Frits Bolkestein, over wie journalist/historicus Dik Verkuil een uitstekende, lezenswaardige biografie schreef.1)
Voor al de genoemde politici gold dat zij zeker successen kenden. Onder leiding van Lubbers voerden drie kabinetten noodzakelijke hervormingen door, Kok wist in twee kabinetten waarin de tegenpolen PvdA en VVD samenwerkten tot belangrijke wetgeving te komen. Tijdens de kabinetten-Balkenende werd het nieuwe zorgstelsel ingevoerd en werden de gevolgen van de bankencrisis opgevangen. Rutte was met name succesvol bij het financiële herstel na 2012 en bij het opvangen van de coronacrisis.
Maar voor alle vier gold dat er tevens ‘schaduwkanten’ waren. De politieke loopbaan van Lubbers eindigde voor hem en het CDA, na de botsing met Elco Brinkman, in een forse nederlaag. Aan de status van Kok werd in 2002 afbreuk gedaan door het drama Srebrenica en de opkomst van Fortuyn. Balkenende kreeg met drie kabinetscrises te maken en moest in 2010 terugtreden na een enorme nederlaag. Over de jaren van Rutte hangen de schaduwen van ‘Groningen’ en het toeslagenschandaal.
Wie de politieke loopbaan van Bolkestein beziet, ziet eveneens succes en teleurstelling. De VVD-voorman leidde zijn partij vanaf 1990 naar herstel, uitmondend in het Paarse kabinet in 1994 en – nog altijd zeer uitzonderlijk – zetelwinst als (niet grootste) regeringspartij in 1998. Daarnaast zette hij het thema multiculturele samenleving nadrukkelijk op de politieke kaart.
Daar staat tegenover dat zijn – soms wat provocerende – openingszet bepaald niet altijd tot succes leidde. Zijn kritiek op uitbreiding van de NAVO naar het oosten verhinderde die niet, het asielbeleid werd (in 2000) wel aangescherpt, maar dat voorkwam niet dat het thema door populisten werd gekaapt. Ook zijn waarschuwing over de risico’s van de euro voorkwamen in 2008-2010 niet het drama rond Griekenland.
Deels was het Bolkestein vooral te doen om aanzet tot debat. Het is de vraag of dat er zonder hem niet ook wel zou zijn gekomen. Veel van wat zich in Nederland voltrok, vond in omringende landen ongeveer tezelfdertijd plaats. Deels was hij – niet ongebruikelijk in de Nederlandse politiek – een pragmaticus. Tijdens Paars I ‘blafte’ de VVD soms, maar beet zij nooit. Zijn afkeer van de christendemocraten en zeker van zijn intellectuele tegenpool Lubbers was een belangrijke factor om de Paarse samenwerking aan te gaan en te verdedigen.
Het beeld dat Verkuil knap van Bolkestein schetst, is dat van een voor de buitenwereld typische VVD’er (door zijn carrière bij Shell en door spraak en uitstraling), maar anderzijds juist een atypische VVD’er die voor zichzelf zelfs enige tijd niet uitsloot dat hij het meest rechtse PvdA Tweede Kamerlid zou worden. Niet sociaal bewogen, maar wel met oog voor sociale noden. Geen wereldverbeteraar, maar wel internationaal georiënteerd. Allesbehalve links, maar wel wegbereider van de Paarse samenwerking. En met 'negentiende-eeuwse' onafhankelijkheid.
Soms succesvol, soms niet. Misschien is dat wel het lot van bijna alle vooraanstaande Nederlandse politici, met Willem Drees en Piet de Jong als uitzonderingen.
- Dik Verkuil, De ongenaakbare Bolkestein. 1933-2025 (Prometeus 2026)