Ruim een jaar geleden nam de Tweede Kamer het initiatiefwetsvoorstel-Van Nispen (SP) aan om een correctief wetgevend referendum mogelijk te maken. Na het vertrek van de indiener is onbekend wie de verdediging van het wetsvoorstel overneemt. Opnieuw roept de gang van zaken rond een wijziging van de Grondwet vragen op. Eerder was dat het geval bij de lange en ten slotte doodgelopen behandeling van het initiatiefwetsvoorstel-Halsema over constitutionele toetsing.
Het wijzigen van de Grondwet verloopt via twee lezingen en bij de tweede lezing is in beide Kamers een tweederde meerderheid nodig. In de eerste lezing wordt een overwegingswetsvoorstel behandeld, dat met gewone meerderheid moet worden aangenomen. Daarna overweegt een nieuwgekozen Tweede Kamer het voorstel in tweede lezing. Het kan dan niet meer worden gewijzigd. Lukt het de Tweede Kamer niet om binnen haar periode een besluit over het wetsvoorstel te nemen, dan vervalt het. Verder bepaalt art. 137 vierde lid: 'Zodra zij het voorstel heeft aangenomen, overweegt de Eerste Kamer dit in tweede lezing.'
Bij het voorstel-Van Nispen zijn we nu in die laatste fase beland. Je zou kunnen stellen dat het op 28 januari 2025 door de Eerste Kamercommissie Binnenlandse Zaken genomen besluit de schriftelijke voorbereiding te beginnen, recht doet aan de grondwettelijke bepaling dat het voorstel in overweging moet worden genomen. Toch wringt hier de schoen. Betekent 'in overweging nemen' hier alleen: beginnen met de behandeling of moet die niet gewoon voortvarend worden afgerond.
Naast het (inmiddels) ontbreken van een verdediger speelt iets anders. De minister van BZK stuurde in oktober 2025 een notitie over de hoofdlijnen van de nog op te stellen uitvoeringswet aan de Eerste Kamer. Daarin staan bijvoorbeeld criteria over het kunnen houden van referenda en over de referendumuitslag. Tevens meldde minister Rijkaart dat hij streefde de ontwerp-uitvoeringswet in 2027 bij de Tweede Kamer in te dienen.
Stel dat dit lukt, dan is er - als dat wetsvoorstel door beide Kamers is aanvaard - misschien in de loop van 2028 een Uitvoeringswet. Er zal dan een inmiddels nieuwgekozen Eerste Kamer zijn (verkiezing daarvan is in juni 2027). Die nieuwe Kamer heeft te maken met een door 'haar voorganger' genomen besluit over de procedure. Het grondwetsvoorstel is dan uiteraad nog in behandeling.
Samenvattend is het dan zo. De in 2023 gekozen Tweede Kamer is inmiddels opgevolgd door de in oktober vorig jaar gekozen Tweede Kamer. De behandeling van de tweede lezing in de Eerste Kamer zal zo'n vijf jaar na de (grondwets)verkiezingen van 2023 plaatsvinden. De verkiezingen van 2023 werden mede gehouden vanwege de voorgestelde Grondwetsherziening. De procedure met twee lezingen is immers bedoeld om kiezers gelegenheid te geven zich over een voorstel tot grondwetswijziging uit te spreken (Dat niemand weet hoe, zoals ik in 2019 schreef1), is iets anders). Van een verband tussen de kiezersuitspraak in 2023 en de in 2028 aanwezige Eerste Kamer is geen sprake. Overigens kun je je afvragen waarom er na een kiezersuitspraak over grondwetsherziening überhaupt nog een rol is voor de Eerste Kamer.
Thorbecke ging in 1848 uit van een direct verband tussen aanneming van een grondwetsherziening in eerste lezing, de kiezersuitspraak en afhandeling in tweede lezing. Inmiddels ontbreekt dat verband geheel. Een na ontbinding gekozen Tweede Kamer wordt sinds 2022 gedwongen tijdig een besluit te nemen, maar de Eerste Kamer lijkt afhandeling in tweede lezing jaren te kunnen uitstellen. Zo heeft de grondwetgever het zeker nooit bedoeld. De gang van zaken rond het voorstel-Van Nispen is gerust inconstitutioneel te noemen. Deze herzieningsprocedure is onhoudbaar.
1) Column parlement.com 1 november 2019: 'Hoe dan Kajsa, hoe dan?