Liberale ministerszoon, jurist, die na zijn studie werkzaam was bij een werkgeversorganisatie en in 1926 algemeen secretaris werd van het na fusie ontstane Verbond van Nederlandse Werkgevers. Werd als 41-jarige benoemd tot burgemeester van Groningen en bleef dat - met onderbreking tijdens de oorlogsjaren - tot 1951. Na de oorlog ontging hem een benoeming tot burgemeester van Den Haag, omdat koningin Wilhelmina, die uit de krant kennis had moeten nemen van de voordracht, zich daartegen verzette. Was vanaf 1951 vijftien jaar een eerzaam conservatief-liberaal lid van de Raad van State.