Gelderse landedelman, wiens (katholieke) geloof een bestuurlijke loopbaan tot 1795 verhinderde. Vanaf dat jaar vervulde hij echter vele functies, zowel op lokaal, provinciaal als landelijk gebied. Hij maakte bijvoorbeeld deel uit van de Eerste Nationale Vergadering, was Landdrost, lid van de Staatsraad onder koning Lodewijk en directeur-generaal van de Posterijen. Daarna, in de Franse tijd, enige tijd rechter. Willem I benoemde hem in 1814 tot lid van de Raad van State.