Patriciër uit een Rotterdams koopmansgeslacht, die na functies bij marine, het Indische gouvernement, in de handel en bij de spoorwegen zijn loopbaan beëindigde met een driejarige periode als Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië. Zoon van een Tweede Kamerlid en neef van G.G. Rochussen, van wie hij ordonnansofficier was. Was in Indië eigenaar van een suikerfabriek en werd daarna bestuurder van (de particuliere maatschappij) Staatsspoorwegen. Aan zijn periode als Gouverneur-Generaal kwam een einde door de Billiton-affaire, waarbij hij buiten het parlement om een contract afsloot.