Vooraanstaand ARP-politicus in het Interbellum. Was officier, leraar aan de KMA, en directeur van de Topografische Inrichting. In 1921 in het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck I de opvolger van minister Pop van Oorlog en Marine. Bracht in 1922 de Dienstplichtwet tot stand. Trachtte eind jaren dertig als minister in het kabinet-Colijn IV ondanks de financiële problemen de Nederlandse defensie te versterken. Als Tweede Kamerlid de tweede man van zijn fractie, defensiespecialist en woordvoerder radio-aangelegenheden, en daarnaast ondervoorzitter van de Kamer. Werd door de Vrije Universiteit geëerd met een eredoctoraat. Harde werker, rechtlijnig, streng gereformeerd en streng voor zichzelf. Stond bekend als een 'pietje precies'.