Raad voor openbaar bestuur: Tweede-Kamervragen vrijwel altijd nuttig

Er worden door Tweede-Kamerleden maar weinig niet-relevante vragen gesteld. Dat concluderen de onderzoekers De Jong en Van Nijendaal die voor de Raad voor het openbaar bestuur studie deden naar 526 schriftelijke vragen die in de maanden maart van de jaren 2001, 2003 en 2004 werden gesteld. Het onderzoek is gehouden, omdat het beeld is ontstaan dat Kamerleden zich veel op incidenten richten.

Uit het onderzoek blijkt dat als vragen minder ter zake zijn, bewindslieden in het algemeen toch een zo relevant mogelijk antwoord geven, bijvoorbeeld door naar algemene regelgeving te verwijzen. Wel zijn bewindslieden de laatste tijd minder toeschietelijk geworden en verwijzen ze vaker naar andere instanties.

Voor Kamerleden is het stellen van schriftelijke vragen een goede mogelijkheid om lokale of regionale kwesties aan de orde te stellen, maar ook om hun rol als controleur goed uit te voeren. De rol van vertegenwoordiger van een regio maakt het stellen van vragen over detailkwesties soms onontkoombaar.

Het aantal vragen is sinds de jaren '60 sterk toegenomen. In de zitting 1968/1969 werd voor het eerst het eerst het aantal van 1000 vragen gepasseerd. In de zitting 1972/73 werden 2125 vragen gesteld. Nu ligt het aantal rond de 1500 per jaar. SP-Kamerleden stellen gemiddeld de meeste vragen. CDA'ers stellen gemiddeld weinig vragen.

bron: rapport 'Niet teveel gevraagd! Een analyse van Kamervragen'


meer over