Achtergrond: de positie van een minderheidskabinet in de Senaat

Vraag:
Wat zou het gevolg zijn als het zittende kabinet ook na de Senaatsverkiezingen geen meerderheid heeft in de Eerste Kamer?

Antwoord:
De vertrouwensregel zoals die tussen een kabinet en de Tweede Kamer geldt, lijkt ook van toepassing in de Eerste Kamer. Die regel houdt in, dat een kabinet kan aanblijven zolang niet is gebleken dat het geen vertrouwen meer heeft van een meerderheid. De regel is in de Tweede Kamer in 1868 ontstaan nadat een reeks conflicten in het voordeel van de Tweede Kamer waren beslist. In 1939 bleek verder dat een kabinet niet kan optreden, als de Tweede Kamer onmiddellijk een motie van wantrouwen aanneemt.

In de Eerste Kamer is er nooit een dergelijke motie ingediend, laat staan aangenomen. Wel hebben kabinetten enkele keren uit een negatieve uitgevallen stemming de conclusie getrokken ontslag te moeten aanbieden.

Dat gebeurde in 1860 toen de Eerste Kamer een wetsvoorstel verwierp over aanleg van spoorwegen, in 1875 toen de Eerste Kamer een motie van afkeuring aannam over een door het kabinet gesloten overeenkomst over spoorwegaanleg en in 1907 toen de Eerste Kamer de begroting van het ministerie van Oorlog verwierp. Ook nadat een voorstel tot Grondwetsherziening over invoering van een correctief referendum in 1999 geen twee derde meerderheid had gehaald, bood het kabinet (kabinet-Kok II) ontslag aan.

Zowel in 1875 als 1907 werd nadrukkelijk door de meerderheid verklaard dat zij zich niet tegen het gehele kabinetsbeleid richtte. Het was steeds (dat gold ook in 1999) het kabinet zelf dat concludeerde ontslag te moeten indienen.

Alleen in 1860 kwam er een nieuw kabinet. In 1875, 1907 en 1999 kwam het kabinet later terug op de ontslagaanvrage; in 1875 en 1907 nadat hetzij was gebleken dat geen ander kabinet kon worden gevormd, en in 1999 omdat de coalitiepartijen nieuwe afspraken maakten.

Een negatief votum heeft wel enkele keren geleid tot het ontslag van een minister. Laatstelijk was dat het geval in 2006 toen minister Thom de Graaf na verwerping van zijn voorstel over de gekozen burgemeester (en na onvoldoende zekerheid te hebben gekregen over zijn kiesrechthervorming) opstapte. Ook toen maakten de coalitiepartijen nieuwe afspraken over het verdere regeringsbeleid.

In 1958 trad staatssecretaris Kranenburg van Oorlog af, nadat enkele fracties (waaronder de regeringsfracties KVP en ARP) zich negatief hadden uitgelaten over zijn materieelbeleid. De Tweede Kamer had kort tevoren alleen besloten een onderzoek in te stellen, maar geen afkeurend oordeel uitgesproken.

In 1962 zegde regeringsfractie VVD in de Eerste Kamer het vertrouwen op in VVD-minister Sim Visser van Defensie. De minister bleef echter aan, omdat een meerderheid hem steunde. Steun had hij bovendien nog van de VVD-Tweede Kamerfractie.

conclusie
Er is wel sprake van een vertrouwensrelatie tussen Eerste Kamer en kabinet, maar niet van een regel. Of een kabinet meent te kunnen blijven doorregeren als het niet meer op een meerderheid kan rekenen, is een besluit dat het kabinet zelf neemt.

Bepalend daarbij lijkt de formulering van de bij de (in)formatie gegeven opdracht, dat het kabinet moet kunnen rekenen op vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal. Als structureel blijkt dat die vruchtbare samenwerking niet langer mogelijk is, dan kan het kabinet niet anders dan daaraan conclusies verbinden en ontslag aanbieden.