Altijd volle agenda

17 april 2020, column Bert van den Braak

De coronacrisis heeft geleid tot minimale parlementaire vergaderactiviteit. Relativeert dat de klachten over de te volle agenda of moeten we uit een uitzonderlijke situatie maar geen conclusies trekken? Aardiger is het wellicht om vijftig jaar terug te gaan, zeker nu de Tweede Kamer weer in de Oude Balzaal gaat vergaderen. Hoe zag het Kamerwerk er toen uit en zijn daaruit misschien wel lessen te trekken?

Allereerst iets over de politieke situatie rond 1970. In 1967 was het centrumrechtse kabinet-De Jong aangetreden; een vierpartijenkabinet, net als nu. Alleen was de grootste fractie, de KVP, met 42 zetels veel groter dan de VVD nu. Die telt nu 32 leden (na afsplitsing van Van Haga). Ook de KVP kreeg (in 1968) met afsplitsing te maken: de Groep-Aarden. De drie andere coalitiepartijen waren middelgroot: VVD 17, ARP 15 en CHU 12. Aan de zijde van oppositie was de PvdA met 37 leden de grootste, maar wel kleiner dan voorheen (in 1956 nog 50 zetels). De komst van D'66 met 7 zetels was in 1967 als een politieke aardverschuiving gezien. Ook de Boerenpartij telde 7 leden, maar die fractie viel spoedig in drie delen uiteen. Daarna volgden CPN (5), PSP (4), SGP (3) en GPV (1). Na diverse afsplitsingen telde de Kamer in 1970 15 fracties.

Het parlementaire jaar kende een vast verloop, met na de algemene politieke en financiële beschouwingen in oktober, de behandeling van de begrotingen. Dat gebeurde deels plenair, maar ook in openbare commissievergaderingen (OCV). In 1967 en 1968 lag het gewone plenaire werk in oktober en november zelfs enkele weken stil vanwege OCV's, maar dat experiment kreeg geen vervolg. Al met al nam de begrotingsbehandeling vele maanden in beslag, met een uitloop tot in februari van het nieuwe begrotingsjaar.

Daarna besteedde de Kamer veel tijd aan de behandeling van wetsvoorstellen, veel meer dan tegenwoordig. Wetgeving over uitkeringen, huren, belastingen en justitie stond veelvuldig op de agenda. Die behandeling was geheel plenair en niet, zoals tegenwoordig, soms in commissoriale wetgevingsoverleggen. Ingrijpende wetsvoorstellen werden wel op vier of vijf vergaderdagen geagendeerd en grote fracties hadden soms twee woordvoerders. Amendementen werden uitvoerig besproken en er werd geregeld hoofdelijk over gestemd. Dat laatste gebeurde sowieso veel vaker; ook over moties (maar dat waren er aanzienlijk minder dan nu) en over wetsvoorstellen. Opvallend was verder dat voor tamelijk 'kleine' wetsvoorstellen relatief veel tijd werd uitgetrokken. Zo sprak de Kamer bijvoorbeeld uitvoerig over wijziging van gemeentegrenzen van Hengelo (Ov.) en Harlingen en over uitbreiding van de gemeenten Oudewater en Schoonhoven.

Ministers kwamen verder soms verklaringen afleggen in de Kamer, die vervolgens tot een debat leidden. Over de revaluatie van de Duitse Mark bijvoorbeeld of over de bezetting van het Maagdenhuis. En daarnaast waren er debatten over brieven en nota's van ministers, over de loon- en prijsontwikkeling, de woningbouw of over de ontwikkelingen in Indochina. Er werd ook tijd uitgetrokken voor de bespreking van conclusies van de Commissie voor de Verzoekschriften (de Nationale ombudsman was er nog niet). In 1967 werd op liefst drie vergaderdagen gedebatteerd over een klacht van een boer uit Voorst (Gld.), die een conflict had met de provinciale veterinaire gezondheidsdienst. Bij interrupties viel op dat het er minder waren dan nu, maar dat leden meer ruimte kregen. Toen Hans van Mierlo eens zei dat er uitwisseling was van kiezers tussen CPN en Boerenpartij gingen Marcus Bakker en hij minutenlang soebatten over opiniepeilingen. De Voorzitter vond het prima.

De 'waan van de dag' werd zeker niet geschuwd. Interpellaties speelden daarbij nog een cruciale rol. De regel was toen dat de Kamermeerderheid een verzoek tot interpellatie moest toestaan en een enkele keer gebeurde dat niet. Het BP-lid Nico Verlaan kreeg echter wel toestemming te interpelleren over het vlaggen bij de geboorte van een kind van prinses Irene (die sinds 1964 geen mogelijke troonopvolger meer was). Weliswaar was het een kort debat en zwegen de andere leden, maar toch. Interpellaties vroegen als regel veel tijd. Het mondelinge vragenrecht leidde eveneens soms tot debatten en beperkte zich niet tot een vast tijdstip.

De veelvuldig gehoorde klacht was dat het allemaal 'wat veel' werd. Kamervoorzitter Van Thiel memoreerde steevast in toespraken met Kerst of voor het reces, hoe hard er wel niet was gewerkt en hoeveel vergaderingen er wel niet waren gehouden. Het ging dan echter om plenaire vergaderingen en OCV's. Mondelinge overleggen waren er nog minder. De volle agenda was er toen dus ook al. De lichting Kamerleden van 1967 was duidelijk activistischer en het gebruik van parlementaire instrumenten begon toe te nemen1).

Iedere periode, ook de onze, kent zo de eigen agendaproblemen, waarbij steeds naar oplossingen wordt gezocht. Mij lijkt dat er maar één echte remedie is: wijze zelfbeperking. Was een debat, zoals in oktober vorig jaar over de mogelijke gevolgen van de afsplitsing van Van Haga, echt nodig? Of blijkt daaruit dat het per saldo wel meevalt met die (over)volle agenda? Daarop zal ik in een volgende column in gaan.


  • 1) 
    Zie ook: Carla Hoetink, Macht der gewoonte. Regels en rituelen in de Tweede Kamer na 1945 (2019)


Andere recente columns