Gelijkwaardige Kamers

21 november 2014, column Bert van den Braak

De Groningse politicoloog Simon Otjes bepleitte onlangs in een artikel in De Volkskrant versterking van de positie van de Eerste Kamer.*) De Eerste Kamer moet niet gemarginaliseerd worden, door bijvoorbeeld het ontnemen van het vetorecht, maar juist belangrijker worden. Daarmee wordt volgens Otjes de noodzaak voor kabinetten om naar een breed politiek draagvlak te zoeken, versterkt. De Eerste Kamer moet dan rechtstreeks worden gekozen, maar wel op een andere wijze dan de Tweede Kamer.

In het stuk betoogt Otjes dat het politieke systeem in de VS, met rechtstreeks gekozen Huis en Senaat, tot stilstand kan leiden - en ook heeft geleid - omdat partijen niet bereid zijn om naar consensus te zoeken. Wij doen dat veel beter. Kijk maar naar wat er onder het huidige kabinet is gebeurd. Oppositiepartijen stemmen veel vaker mee met de regering dan wordt verondersteld. De Eerste Kamer is eigenlijk geen probleem.

Daar zit zeker veel waars in. Consensus is vaak groter dan wordt gedacht en ook oppositiefracties steunen geregeld regeringsvoorstellen. Daarbij moet wel worden bedacht dat het aantal politiek zeer heikele kwesties minder groot is dan soms wordt gedacht. Bovendien betekent bij de eindstemming vóór stemmen niet dat er geen grote bezwaren bestonden tegen een voorstel. Bij ingrijpende maatregelen waarvan op zich de noodzaak wordt erkend, stemmen sommige fracties uiteindelijk toch maar voor. Bijvoorbeeld met de gedachte: wij hadden het anders gedaan, maar we leggen ons neer bij wat het nu is geworden.

Juist is ook dat rechtstreekse verkiezing van de Senaat uit democratisch oogpunt zuiverder zou zijn, want nu is er toch de diffuse situatie dat bij verkiezingen enerzijds het provinciaal beleid moet worden beoordeeld en anderzijds rekening dient te worden gehouden met de verhoudingen in de Eerste Kamer. Probleem is veeleer dat de Eerste Kamer ondanks een zwakkere democratische legitimatie toch het laatste woord bij de wetgeving heeft. Bij behoud van het vetorecht is rechtstreekse verkiezing van de Senaat inderdaad een logische consequentie. Bij een conflict tussen Kamer en kabinet moet immers een beroep op de kiezers kunnen worden gedaan. Dat kan niet als leden van niet-ontbindbare Statencolleges die kiezers zijn. Maar twee rechtstreeks gekozen Kamers leidt nog sterker tot de vraag: welke Kamer heeft het primaat?

Bij het zoeken van overeenkomsten met de VS moet een aantal zaken in het oog worden gehouden. Dat land kent een striktere scheiding van machten dan wij. Tegenover de gekozen president, met grotere uitvoerende bevoegdheden en een vaste termijn van vier jaar, staat een gekozen Congres. De VS is verder niet alleen 230 keer groter dan Nederland, maar bovendien een federatie. Of het nu zo heel democratisch is dat Wyoming (ca. 600.000 inwoners) net als California (ruim 38 miljoen inwoners) twee senatoren heeft, is de vraag, maar de (18e-eeuwse) gedachte was dat de Staten allemaal in de Senaat vertegenwoordigd dienden te zijn.

In de Nederlandse situatie speelt dat regionale aspect niet of nauwelijks. Zelfs toen Eerste Kamerleden nog per provincie werden gekozen, kwam het geregeld voor dat iemand van buiten de provincie werd afgevaardigd: de Amsterdammer Henri Polak door Friesland en de Fries Anne Anema door Zuid-Holland bijvoorbeeld. Dat maakt de suggestie van Otjes dat de rechtstreeks gekozen Eerste Kamer via een districtenstelsel zou kunnen worden gekozen, niet erg voor de hand liggend. Ik weet niet of hij bedoelt dat ieder district dan twee leden afvaardigt, waarvan er iedere twee jaar één wordt gekozen. Als dat zo is, is er een via evenredige vertegenwoordiging gekozen Kamer en één via een meerderheidsstelsel. Welke is dan de ware volksvertegenwoordiging?

Ik vrees dat het dan spoedig een 'mislukte kopie naar Amerikaans voorbeeld' zal blijken te zijn.

*) Maak Eerste Kamer niet zwakker maar sterker, De Volkskrant, 12 november 2014



Andere recente columns