Regeringsprogramma 1945

Het kabinet-Schermerhorn/Drees had 'herstel en vernieuwing' als leidraad. Het land was door de oorlog zwaar getroffen. Er was tekort aan alles (inclusief voedsel). Fabrieken en scheepswerven waren deels vernietigd, er was enorme woningnood, verbindingen moesten worden hersteld, de export moest weer op gang komen, er was dringend behoefte aan brandstoffen etc. etc. Dat alles zou het nieuwe kabinet ter hand nemen. Het begrip 'vernieuwing' was veel vager. Aansluiting werd gezocht bij de tijdens de Bezetting ontstane geest van saamhorigheid en doorbreking van vroegere scheidslijnen.

Daarnaast moest de maatschappelijke orde worden hersteld. Daarvoor was nodig terugkeer van de gewone bestuursorganen, met name gemeenteraden en parlement, en het organiseren van verkiezingen in 1946. En tevens: berechting van 'foute' Nederlanders en het zuiveren van organisaties van personen die tijdens de Bezetting met de Duitsers hadden geheuld.

Nederland was bevrijd bij het aantreden van het nieuwe kabinet bevrijd, maar de oorlog in Azië was nog niet beëindigd. Daar hadden het verslaan van de Japanners en het veiligstellen van Nederlands Indië hoge prioriteit.

Aangekondigd werd de opbouw van een nieuw Nederlands leger, waarin de Binnenlandse Strijdkrachten uit de laatste oorlogsjaren, zouden opgaan. Het bewind van het Militair Gezag zou per 1 september worden beëindigd. Een Nationale Adviescommissie zou de komst van een Nood-parlement voorbereiden, deels bestaand uit tot 1940 gekozen Kamerleden en deels aangevuld met onder meer personen uit de illegaliteit. Het Nood-parlement moest aanblijven tot er nieuwe verkiezingen waren gehouden.

Aangekondigd werd dat de volksopvoeding sterk zou worden bevorderd en dat een algehele reorganisatie van het onderwijs in voorbereiding zou komen. De particuliere mijnen in Limburg zouden worden genationaliseerd.

Nieuw was de opbouw van een moderne regeringsvoorlichtingsdienst, die onder meer persconferenties zou beleggen waarin journalisten en ministers elkaar konden ontmoeten. Dienst moest ook 'oog en oor' zijn voor wat er onder de bevolking leefde.


Meer over