Zittingsduur Tweede Kamer

De zittingsduur van de Tweede Kamer is vier jaar. De regeerperiode van een kabinet valt hiermee samen. Met de zittingsduur van vier jaar hebben de kiezers enerzijds regelmatig de kans om hun mening te geven door het uitbrengen van hun stem. Anderzijds zou een (veel) kortere periode kunnen leiden tot regelmatige koerswijzigingen en daardoor een gebrek aan continuïteit. Bovendien bieden vier jaren voldoende mogelijkheden voor kabinet en parlement om zaken tot stand te brengen.

Een val van het kabinet leidt er vrijwel altijd toe dat de zittingsduur korter wordt dan vier jaar. Bij een tussentijdse crisis wordt namelijk in de regel besloten tot Kamerontbinding en vervroegde verkiezingen, zodat de kiezers zich over het conflict kunnen uitspreken. Als een kabinet de hele regeerperiode vol maakt, kan er maximaal vijf jaar tussen verkiezingen zitten.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Historische ontwikkeling

Tussen 1815 en 1848 was de zittingsduur drie jaar. Elk jaar trad een derde van de leden af en werden er voor dat deel verkiezingen gehouden. Tussen 1848 en 1888 trad elke twee jaar de helft van de voor vier jaar gekozen leden af, waarvoor dan verkiezingen plaatsvonden. Aftredende leden konden zich herkiesbaar stellen. De periode van vier jaar kon korter zijn in geval van Kamerontbinding.

Sinds 1888 worden alle Tweede Kamerleden iedere vier jaar tegelijkertijd gekozen. Ook nu zijn vervroegde verkiezingen mogelijk vanwege Kamerontbinding. Tot 1923 moesten verkiezingen worden gehouden in het derde jaar na een Kamerontbinding. Zo werden de verkiezingen na de Kamerontbindingen van 1888, 1894 en 1922 al gehouden in respectievelijk 1891, 1897 en 1925. In 1923 werd dat vier jaar. Tegenwoordig moeten er uiterlijk binnen vijf jaar verkiezingen zijn.

2.

Praktijk

Door geregelde kabinetscrises zijn vervroegde verkiezingen tegenwoordig eerder regel dan uitzondering en is dus ook de zittingsduur lang niet altijd vier jaar. Staatsrechtelijk is er overigens geen verplichting tot zo'n Kamerontbinding.

Omdat reguliere verkiezingen op grond van de Kieswet moeten worden georganiseerd in maart (of in mei als er bijvoorbeeld Statenverkiezingen zijn), is er soms juist een langere zittingsperiode dan vier jaar als een kabinet niet tussentijds valt. Dat was bijvoorbeeld het geval na de vervroegde verkiezingen van september 1989. Er waren toen pas weer verkiezingen in mei 1994. Na de verkiezingen van september 2012 waren er pas weer verkiezingen in maart 2017.

3.

Grondwetsherziening

Tot 1917 werd na aanvaarding van een voorstel tot Grondwetsherziening in eerste lezing (een zogenoemde overwegingswet) de Tweede Kamer direct ontbonden. Nadien, vanaf 1922, gebeurde dat, met uitzondering van 1948, 'op termijn'. Verkiezingen vanwege Grondwetsherziening vallen daardoor samen met 'reguliere' verkiezingen.


Meer over