Wachtgeld

Wanneer een minister, staatssecretaris of Tweede Kamerlid aftreedt, heeft hij of zij recht op wachtgeld. Er wordt in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers onderscheid gemaakt tussen ministers/staatssecretarissen en leden van de Tweede Kamer.

Uitkering Ministers/Staatssecretarissen

Ministers en staatsecretarissen vallen onder de tweede afdeling van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.

Als een minister of staatssecretaris aftreedt heeft hij of zij recht op een uitkering van:

  • 80 procent van de laatstgenoten bezoldiging in het eerste jaar;
  • 70 procent van de laatstgenoten bezoldiging vanaf het tweede jaar.

De uitkering duurt even lang als de periode die persoon als minister of staatssecretaris heeft vervuld, maar geldt minimaal twee en maximaal drie jaar en twee maanden, mits de minister/staatssecretaris minimaal drie maanden in functie is geweest. Voor de wachtgelduitkering maakt het niet uit wat de reden van het aftreden was.

De uitkering vervalt zodra de ex-minister/staatssecretaris in een andere functie voldoende verdient. Inkomsten worden in mindering gebracht op de wachtgelduitkering. Er geldt een sollicitatieplicht tot 65 jaar. Oud-ministers en staatssecretarissen kunnen aanspraak maken op een outplacementvoorziening.

Sinds 2003 krijgt een minister/staatsecretaris die minder dan drie maanden in functie is geweest, bij aftreden nog maar wachtgeld gedurende zes maanden. Tot dan toe kregen aftredende bewindspersonen altijd minimaal twee jaar wachtgeld. Aanleiding voor de beperking van het wachtgeld voor kort zittende bewindspersonen was de affaire-Bijlhout.

Uitkering Leden van de Tweede Kamer

Leden van de Tweede kamer, inclusief de voorzitter, vallen onder afdeling 3. De duur van de uitkering is gelijk aan de periode waarin de persoon in kwestie Kamerlid is geweest, met een minimale duur van twee jaren en een maximale duur van drie jaren en twee maanden. Tijdens het eerste jaar bedraagt de uitkering 80 procent van het loon, de jaren daarna is dat 70 procent. De uitkering vervalt op de dag dat het voormalig Kamerlid de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, hij of zij weer terugkeert in de Kamer of het Europees Parlement, of wanneer het ex-Kamerlid aan een nieuwe functie begint.


Meer over