In Friesland geboren jurist, die na vijf jaar advocaat in Den Haag te zijn geweest een lange loopbaan doorliep hij het ministerie van Justitie. Werd na vijftien jaar hoofd van de afdeling staats- en volkenrecht en strafrecht en strafvordering en was vanaf 1916 secretaris-generaal, de eerste twee jaar als waarnemer. Hij vervulde die hoogste ambtelijke functie zeventien jaar. Zijn vader was Kamerlid en raadsheer in de Hoge Raad.