Topambtenaar van het ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en vanaf mei 1940 ook op Landbouw. Doorliep een carrière in het bankwezen, waarbij hij onder meer in Nederlands-Indië terecht kwam. Speelde als waarnemend secretaris-generaal een belangrijke rol bij het bestuur van het economisch leven tijdens de bezetting. Genoot ondanks zijn deels Joodse afkomst veel vertrouwen bij de Duitsers en betoonde zich een bekwaam, vindingrijk onderhandelaar. Was niet fout, maar had wel moeite een juiste houding te vinden jegens de bezetter en had bovendien weinig begrip voor het verzet. Daar tegenover stond zijn verdienste dat hij het productieapparaat en de voedselvoorziening zo goed mogelijk in stand had weten te houden. Blijft daarom een controversiële figuur over wie historici polemiseren.