Veelzijdige geleerde die hoogleraar in Harderwijk en Leiden was. Doceerde in Harderwijk geschiedenis, Grieks en welsprekendheid en na 1809 in Leiden onder meer diplomatie en Griekse letterkunde. Speelde een belangrijke rol bij de scholing van de kinderen van de prins-erfstadhouder (de latere Willem I) en bij het beheer van diens landerijen in Polen. Had in maart 1814 zitting in de Vergadering van Notabelen in Amsterdam. Medeoprichter van de Leidse Maatschappij van Nederlandse Letterkunde.