Amsterdamse rechtsgeleerde die al op zestienjarige leeftijd was gepromoveerd. Na advocaat te zijn geweest, werd hij rechter en bestuurder van het departement (provincie) Zuiderzee. Eén van de weinige joden in de Vergadering van Notabelen, die over de Grondwet van 1814 moest beslissen. Werd daarna secretaris van de commissie die na de vereniging met de Zuidelijke Nederlanden de grondwet moest herzien. Vanaf 1817 opnieuw advocaat. Schreef diverse rechtshistorische werken.