Asjkenazische armendokter in Amsterdam. Was samen met Herman Bromet de eerste joodse volksvertegenwoordiger in de Europese geschiedenis. Beminnelijk, maar behept met een rechtlijnige integriteit die kon uitmonden in opgewonden gedachtewisselingen met politieke tegenstanders. Bijzonder actief tijdens de Tweede Nationale Vergadering, waar hij zich inzette voor de eenheidsstaat en gelijke grondwettelijke rechten voor Joden, onder meer door afschaffing van gildes. Nauw betrokken bij de unitaristsiche staatsgreep van 22 januari 1798. Na de regimewisseling van juni 1798 was zijn politieke rol uitgespeeld. In 1808 maakte koning Lodewijk Napoleon hem lid van het Opperconsistorie van Hoogduits Joodse Gemeeentes, ter bevordering van de integratie van Joden in Nederland. Werd in 1813 veroordeeld wegens een vermeende samenzwering tegen het Napoleontisch gezag. Sloot zijn carrière af als arts.