Telg van een geslacht van Zeeuwse predikanten, die zich in 1767 in Goes vestigde als advocaat en daar tevens bestuurder werd. Had in de periode 1775-1778 ook zitting in de Staten van Zeeland. Bekleedde diverse bestuursfuncties op Beveland. Kwam in 1796 in de Nationale Vergadering, maar keerde in 1797 niet terug. Werd in 1798 lid van het Vertegenwoordigend Lichaam en had daarna van 1801 tot 1810 zitting in het Wetgevend Lichaam. Bleef tevens bestuurder in Zeeland. In 1814 lid van de Notabelenvergadering.