Vooraanstaande, zelfbewuste en ambitieuze staatsman uit de tijd van koning Willem I. Zoon van een kolonel die tevens kamerheer van stadhouder Willem V was. Werd, nadat zijn vader in Pruisische gevangenschap overleden was, opgevoed door een Waalse predikant. Genoot zijn opleiding deels in Duitsland. Na voltooiing van de rechtenstudie werd hij ambtenaar, en in 1808 benoemde Lodewijk Napoleon hem tot landdrost van Oost-Friesland. Daarna onder meer minister van Binnenlandse Zaken en Eredienst. Na het herstel van de onafhankelijkheid was hij onder meer provinciebestuurder, commissaris in Brussel en diplomaat. In 1816 de eerste Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië na het vertrek van de Engelsen.