Bekwame, gematigde aanhanger van het stadhouderlijk bewind, die zowel in de Bataafse Tijd als onder koning Willem I belangrijke functies bekleedde. Was net als zijn vader raadsheer in het Hof van Holland en werd daarna (ten tijde van de Republiek) secretaris van de Raad van State. Keerde in 1801 terug als bestuurder en werd door Lodewijk Napoleon in de Staatsraad benoemd. In 1806 minister van Binnenlandse Zaken en voorzitter van de ministerraad. Twee jaar later benoemde de koning hem tot minister van Eredienst. Na de inlijving lid van de Raad voor Hollandse Zaken in Parijs. Onder Willem I werd hij minister van Oorlog en daarna vicevoorzitter van de Raad van State. In 1815 lid van de Grondwetscommissie. De koning verleende hem in 1820 de titel baron.