Kamerlid en Gouverneur van Gelderland. Stamvader van een geslacht van Kamerleden uit een aanzienlijke en oude Gelderse adellijke familie. Ook zijn voorvaders hadden, tijdens de Republiek, zitting in de Staten-Generaal en bekleedden diverse bestuursfuncties. Orangist en kamerheer van de koning, die hem in 1846 de titel minister van staat verleende.