Zwolse advocaat en rechter die in de eerste jaren van het koninkrijk een vooraanstaand, actief en geacht Tweede Kamerlid was. Behoorde tot de meer vooruitstrevende leden. In 1823 en 1825 tot Kamervoorzitter gekozen. In 1828 benoemde de koning hem tot Gouverneur van Luik, maar na de Opstand van 1830 moest hij uitwijken naar Maastricht. Vestigde zich vervolgens in Harderwijk en was enige tijd lid van de Raad van State, tot hem het reizen naar Den Haag te zwaar viel. Toen hij in 1828 de Kamer verliet, volgde zijn negen jaar oudere broer hem op.